blog

Blog: de strijd om het bier is gespeeld

Café

De jarenlange strijd tegen de vier grootste Nederlandse brouwers is gestreden en verloren. Nadat oud-minister Verhagen jaren geleden namens de overheid al meldde geen reden te zien om in te grijpen, heeft ook huidig minister Henk Kamp vorige week aangegeven dat geen sprake is van een verstoorde marktsituatie.

Blog: de strijd om het bier is gespeeld

Minister Kamp beroept zich op het onlangs verschenen rapport van de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Daaruit blijkt dat de biermarkt transparant en dynamisch genoeg is en dat er geen reden is om in te grijpen. Er is voldoende concurrentie tussen brouwerijen, en ook tussen horecaondernemers.

De verloren strijd van KHN

Helaas denkt algemeen directeur Lodewijk van der Grinten van Koninklijke Horeca Nederland (KHN) daar nog steeds anders over. Hij heeft inzage gevraagd in het rapport van de ACM en aangegeven de strijd te zullen voortzetten.
Neem uw verlies meneer van der Grinten, want het is inmiddels overduidelijk dat u vecht tegen iets wat er gewoon niet is. Mijn inziens heeft u de Nederlandse horeca de afgelopen jaren onterecht op zijn kop gezet, terwijl u beter al uw tijd en energie had kunnen besteden aan het begeleiden, informeren en adviseren van uw leden.
Zeker in deze barre tijd heeft de Nederlandse horeca behoefte aan een branchevereniging die positiviteit uitstraalt en met gedegen kennis en ervaring haar leden ondersteunt. Ook op dit vlak heeft u mijns inziens de plank volledig misgeslagen en is dit absoluut een gemiste kans.

Waarom grijpt de ACM niet in?
Stel nou dat KHN gelijk heeft. Dat meer dan 75 procent van de ondernemers is gebonden en geen kant op kan, omdat zij een zogenaamd ‘wurgcontract’ hebben. Dat slechts 2,4 procent van de ondernemers overstapt, omdat zij bang zouden zijn voor de brouwer en de discussie niet aan zouden durven. En dat deze situatie zorgt voor veel te hoge bierprijzen en een oneerlijke concurrentie.
Inderdaad, dan zit de biermarkt op slot en moet er absoluut ingegrepen worden. Ik kan mij ook niet voorstellen dat de ACM daar anders over denkt. Het antwoord op de vraag waarom de ACM niet ingrijpt, is dus heel simpel: omdat de ‘feiten’ van KHN niet juist zijn.
15 tot 20 procent van de horecaondernemers heeft een exclusieve afnameverplichting op basis van huur en tussenhuur en weinig tot geen onderhandelingsruimte. In de meeste gevallen is hier helaas en inderdaad sprake van een ‘wurgcontract’.
Ik ga gemakshalve even uit van 40.000 horecabedrijven, een marktaandeel van Heineken van 50 procent, 200 eigen panden en 1.200 tussenhuurpanden (bron: Philip de Ridder, YouTube). Dan praten we bij Heineken dus over 7 procent gebonden klanten.
93 procent, oftewel meer dan 18.000 ondernemers, heeft dus een liberale overeenkomst die opzegbaar is met een opzegtermijn van twee maanden. Dit is al meer dan 45 procent van de totale markt. In sommige gevallen hebben Heineken-ondernemers in een pand van de brouwerij – afhankelijk van de situatie – overigens toch een prima onderhandelingspositie, alleen is men daar vaak niet van op de hoogte.
Bij de andere drie grote brouwers, AB InBev, Grolsch en Bavaria, is de situatie door de 5-jarige exclusieve pakketbinding natuurlijk anders, maar uiteindelijk is ook hier het merendeel, meer dan 75 procent van de ondernemers, vrij in keuze van brouwer. Alleen bij huur en tussenhuur zitten ondernemers vast en kunnen zij m.b.t. het totale drankenpakket geen kant op.

De keuze is aan de ondernemer
Het merendeel kan dus kiezen voor een liberale overeenkomst bij Heineken of een 5-jarige pakketbinding bij de overige drie. De keuze is daarmee volledig aan de ondernemer zelf. Kiest een ondernemer met zijn volle verstand voor een 5-jarige overeenkomst, dan moet deze niet na twee jaar gaan zeuren dat hij nog drie jaar vastzit en geen kant op kan. In de praktijk blijkt overigens dat er met een aantal brouwerijen prima onderhandeld kan worden over een kortere en zelfs een liberale overeenkomst.
Uiteindelijk is dus maar 15 tot 20 procent van de totale markt gebonden op basis van een zogenaamd ‘wurgcontract’ en is 80 tot 85 procent van de ondernemers vrij om te kiezen, waarbij de keuze gemaakt kan worden tussen een liberale of een 5-jarige overeenkomst. Dit noemen ze volgens mij marktwerking. Keuze hebben betekent vrijheid en natuurlijk is een liberale overeenkomst wat dat betreft mooi, maar ik kom heel veel ondernemers tegen die totaal geen moeite hebben met een langdurige overeenkomst, mits de condities in verhouding staan tot de contractduur.
Dit is dus ook een misvatting uit het SEO-rapport. Een binding op basis van extra diensten (lening, borg, bruikleen) hoeft absoluut niet te leiden tot hogere inkoopprijzen en – dus – een lagere nettowinst en slechtere concurrentiepositie. Dan moet echter wel bekend zijn wat de mogelijkheden zijn. En daar zit nu juist het probleem, ook voor KHN, want daar weten ze het blijkbaar ook niet.
Philip de Ridder roept ondernemers op om zich niet voor vijf jaar te binden, maar u begrijpt natuurlijk wel dat dit puur eigenbelang is. Bij een volledige liberalisering van de biermarkt ben ik ervan overtuigd dat Heineken daar het meeste profijt van zal hebben en haar positie in Nederland alleen maar zal versterken. Het is niet voor niets dat per 1 juni 2000 die nieuwe Europese wet is ingevoerd, dus meneer de Ridder gun uw collega’s ook een stukje van de taart.

Liever eerlijke condities
Ik begeleid dagelijks ondernemers en 90 procent geeft aan niet te willen overstappen, omdat ze tevreden is over de relatie met de brouwer. Dit komt overeen met een door Heineken uitgevoerd onderzoek, waarvan de uitkomst aangeeft dat meer dan 90 procent van de ondernemers tevreden is. Dat maar 2,4 procent overstapt, heeft in mijn ogen dus niets te maken met angst voor de brouwer. Dit geldt overigens ook voor ondernemers bij de andere drie grote brouwerijen, ondanks een 5-jarige overeenkomst.
Volgens het SEO-rapport is in vijf van de zeven gevallen sprake van een toename van de binding als cafés overstappen. Als die ondernemers daar zelf voor gekozen hebben, omdat ze er bijvoorbeeld financieel beter van worden, dan is dit toch geen probleem? Ik kan me namelijk niet voorstellen dat ze overstappen, omdat ze er slechter van worden. Ondernemers met een 5-jarige overeenkomst zijn dus niet per definitie minder tevreden dan ondernemers met een liberale overeenkomst. Dit zegt volgens mij wel genoeg.
Vraag een willekeurig ondernemer of hij een volledig geliberaliseerde biermarkt of eerlijke condities wil en men kiest in de meeste gevallen voor eerlijke condities. Het was voor mij dan ook geen verrassing dat de ACM heeft besloten niet in te grijpen.
Overigens wil ik wel nog benadrukken dat de situatie voor die 15 tot 20 procent huur- en tussenhuurondernemers in de meeste gevallen slecht tot zeer slecht te noemen is. De starre houding van de brouwers voorkomt zo een eerlijke concurrentie t.o.v. vrije ondernemers en dat verdient wel de aandacht.


Dit is het eerste deel van een 2-delige blog. Het tweede deel verschijnt woensdag 25 september op de website van Misset Horeca.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels