artikel

12 Vragen aan 8 Wijnschrijvers

Horeca

De vragen
1. Waarom en hoe bent u wijncriticus geworden?
2. Is het een moeilijk vak?
3. Hoe ziet uw werkdag er uit?
4. Welke eigenschappen moet een criticus hebben?
5. Moet een criticus per se classificeren?
6. Heeft u een systeem ontwikkeld voor het proeven? Wat zijn daarvan de voor- en nadelen.
7. Denkt u zichzelf invloed toe?
8. Mag een criticus zich bewust of onbewust laten beïnvloeden?
9. Kan een criticus helemaal alleen een trend zetten?
10. Werkt u bij het beoordelen vanuit een ideaal voorbeeld?
11. Wanneer ontdekte u uw eigen smaak en is die geëvolueerd?
12. Welke uitspraak bevalt u het meest?
a. Dit is een mooie wijn die iedereen lekker zal vinden.
b. Een meesterlijke wijn, hoewel hij niet iedereen zal bevallen.

Antwoord 1: Het merendeel van de ondervraagden zegt dat het een uit de hand gelopen liefhebberij is. De liefde voor de wijn lijkt voorwaarde. Menigeen heeft de vinologen-opleiding gevolgd. Die opleiding heeft Duijker nog helpen opzetten. Zelfs het woord vinoloog komt uit zijn koker. Faber schrijft over wijn vanuit historisch perspectief, vanwege haar opleiding in klassieke talen en oude geschiedenis. En dat mag best. Wijn bestaat al vijfduizend jaar.

Antwoord 2: Een moeilijk vak vinden ze. Al die wijnen proeven vraagt om concentratie, kundigheid en conditie. Crum: ‘Ik vind het moeilijk omdat de wijnwereld steeds groter wordt en er permanent nieuwe ontwikkelingen zijn over de bewerking van de wijngaarden en het bereiden van de wijn.’ Duijker: ‘Moeilijk, nee. Lekker, leuk en boeiend, ja. En arbeidsintensief, want een goede wijnschrijver is een frequente reiziger.’ Alleen al voor zijn jaarlijkse wijnalmanak proeft hij zo’n 2000 flessen. Van Heusden wijst op het bijhouden van de ontwikkelingen en trends: ‘Smaken en stijlen veranderen voortdurend. Normen derhalve ook: de wijnwereld kent een hoog gehalte dilettantisme. Weinig wijnschrijvers hebben verstand van oenologie. Erg is dat niet, want het publiek is daarin niet geïnteresseerd. Illusies lijken in wijnland belangrijker dan controleerbare feiten.’ Parker vindt de discipline het zwaarst: ‘Je moet proeven en niet drinken. Ik heb al heel wat deskundigheid verloren zien gaan bij gebrek aan die controle.’ Sutcliffe zegt: ‘Je krijgt het nooit helemaal onder de knie. Het samen gaan van techniek en gevoel is een duivelse melange.’

Antwoord 3: Men rept over lange werkdagen. Proeven, proeven, niets dan proeven. Van acht tot zes en vaak ook ’s avonds. En veel reizen natuurlijk. Thuis worden notities uitgewerkt en administratie bijgehouden. Boeken en artikelen schrijven? Dat is voor de tijd die overblijft. ‘Ik werk hard’, zegt Crum. ‘Reizen, wijnstreken bezoeken, producenten spreken, wijnen proeven en netwerken. Plus het eigenlijke bureauwerk. Het vraagt om veel discipline.’ Van Heusden weidt aardig uit over zijn werkdag: ‘Champagneontbijt in de suite van een vijfsterrenhotel. Met de helikopter naar een sprookjesachtig château. Ontmoeting met Beroemde Wijnmaker, bij voorkeur van adel, om zeldzame wijnen uit diens privé-kelder te proeven. Zesgangenlunch in driesterrenzaak, op uitnodiging van voornoemde beroemdheid en in het gezelschap van diens briljante en bloedmooie dochters. Aansluitend boottocht op jacht met gouden kranen en ruime voorraad champagne aan boord. Tiengangendiner in boven genoemd restaurant. Exquise distillaten en onbetaalbare havanna’s toe en voor het slapen gaan toch nog even een stukje schrijven.’

Antwoord 4: De opgegeven eigenschappen van een goed wijnciticus variëren van grote kennis en de wil om op de hoogte te blijven tot terughoudendheid en bescheidenheid. Gezonde zintuigen, scherp en helder taalgebruik, onafhankelijkheid, proefervaring, werklust en kritische instelling. ‘Onafhankelijk zijn en een eigen mening kunnen en durven vormen, is belangrijk voor een wijnpublicist’, zegt Crum. Faber: ‘De eerste en laatste eigenschap moet zijn: helderheid in taal en dus in perceptie van de wijn. Zelfbeheersing en inlevingsvermogen in de denkwereld van de lezer zijn ook belangrijk. En natuurlijk grote liefde voor het product.’ Van Heusden: ‘Helaas kun je het, met name in de horeca, met een vlotte babbel als zelfverklaard goeroe ver schoppen. In het land der blinden…’

Antwoord 5: Het classificeren wordt afgewezen, althans naar de consument toe. Om het werk te vergemakkelijken, maken sommigen er voor zichzelf wel gebruik van. ‘Je moet niet rangschikken naar punten’, vindt Rook, ‘geef een oordeel over de kwaliteit van de wijn. Belangrijk zijn de prijs-kwaliteitverhouding en de vraag of de wijn geschikt is voor de horeca.’Crum classificeert wel, maar houdt weinig rekening met ‘de protemonnee van de wijnhandel of de wijnproducent’. Hij schrijft uit liefde voor de wijn en moet daarin het kaf van het koren scheiden. ‘Als de wijn echt slecht is, meld ik dat omdat iedereen ervoor moet worden gewaarschuwd.’ Sutcliffe: ‘Of het nu een Grand Cru is of een vin de pays, de recensent moet de intrinsieke kwaliteit van de wijn beoordelen. Is hij goed in zijn soort. Wijndrinken moet een plezier blijven, geen opdracht.’ Parker benadrukt de open geest van de recensent: ‘Je kijkt naar de eisen van de appellation, de terroir en het klimaat en je tast je eigen smaak af. Uiteindelijk eindig je bij de vraag of een wijn in staat is om direct of pas op langere termijn plezier te brengen.’

Antwoord 6: Ieder heeft zijn eigen systeem. De een op basis van twintig cijfers, de ander werkt met een eigen codering. De Groot werkt met vijf sterren. ‘Het voordeel is de helderheid en de overzichtelijkheid. Volgens mij werkt iedereen met een verkapt sterrensysteem. Goed, beter, best, daar komt het op neer. Nadeel van een systeem is dat de ‘gewone’ wijn in zijn categorie ook vijf sterren kan halen.’ Van Heusden: ‘uitspraken over structuurelementen van de wijn, zoet, zuur, bitter, alcohol, hout zijn voor leken makkelijker te verifiëren zijn dan zweverige uitspraken over aroma’s.’ Parker ziet met lede ogen dat wijninkopers zich te veel laten leiden door hoge cijfers en niet kijken naar wijnen die veelbelovend zijn.

Antwoord 7: De deskundigen zijn bescheiden. Geen van allen heeft naar eigen zeggen grote invloed. Crum zegt van wijnhandelaren te hebben vernomen dat zijn schrijverijen invloed hebben op het koopgedrag. Zelf denkt hij dat dat relatief is. Duijker vindt dat hij met al die verkochte boeken wel enige invloed moet hebben. Parker noemt de zijne zelfs te groot. Hij ziet zichzelf alleen maar als gids: ‘En ja, als iedereen dan als wild geworden de wijnen gaat kopen die ik aanwijs, dan heeft dat alleen maar als voordeel dat er veel mooie wijnen gedronken worden.’ Sutcliffe: ‘Er zijn mensen die wijnen kopen die ze nog nooit geproefd hebben, maar alleen omdat een of andere expert gezegd heeft dat ze goed zijn. Vrouwen doen dat gelukkig zelden.’

Antwoord 8: Met de beïnvloeding komen de pennen los. Helemaal vrij van invloeden kan niemand zijn. Crum: ‘U bedoelt natuurlijk of ik me laat verwennen met dure lunches, diners en luxe hotels? Ze kunnen het allemaal nog zo mooi aankleden, als ik de wijn niet naar behoren vind, meld ik dat.’ Duijker: ‘Ik laat me in mijn oordeel niet beïnvloeden door producenten of importeurs.’ Faber veronderstelt bij de lezer de voorkennis dat de recensent ook een eigen smaak heeft. ‘Dat geldt toch ook voor critici van boeken, muziek of restaurants?’ Van Heusden vindt beïnvloeding vanzelfsprekend. ‘Laten we realistisch zijn. Heel wat zogenaamd objectieve informatie en onafhankelijke aanbevelingen blijken bij nader inzien goed betaalde reclameplaatjes. Ons kent ons.’ Rook zegt: ‘Mijn oordeel is niet te koop. Ik geef mijn eigen oordeel en die visie staat vaak dezelfde dag op het internet.’ Sutcliffe merkt op: ‘Natuurlijk word je beïnvloed. Door het weer of vieze glazen. Naarmate je je ontwikkelt, is de invloed daarvan steeds minder.’

Antwoord 9: Een trend zetten? Daar geloven ze niet in. Ja, misschien in de VS. Parker wordt gezien als de trendsetter pur sang. Maar verder? Van Heusden: ‘In ons eigen land heeft Duijker de nodige invloed gehad, hoewel die misschien meer als promotor dan als criticus actief is. Maar ere wie ere toekomt.’ Parker belooft dat de toekomst is aan ‘wijnen die zo eerlijk mogelijk in de fles terecht zijn gekomen. Zonder filtering en met een minimum aan behandeling. Geen gemanipuleer.’

Antwoord 10: Ook een ideaal voorbeeld is er niet. Je vergelijkt altijd met de wijnen van dezelfde soort die je eerder hebt geproefd. ‘Je hebt in je achterhoofd altijd de ideale Pommard, wanneer je weer een Pommard proeft’, vindt Crum. ‘Proeven is altijd vergelijken’, schrijft Duijker, ‘Van heel veel soorten heb ik ooit de best mogelijke kwaliteit geproefd. Dat worden dan ijkpunten voor de wijnen daarna.’ Van Heusden: ‘Je toetst de wijn aan je referentiekader. Dat moet flexibel zijn want de wijnindustrie is voortdurend in beweging. Positieve onzekerheid, daar gaat het om. Vragen durven stellen. En zin voor realiteit is ook nooit weg. Duur hoeft niet altijd top te zijn.’ Rook: ‘Je proeft vanuit het referentiekader van de beste wijnen uit de soort. Een Meursault of een Grand Cru uit de Bordeaux proef je anders dan een Languedoc of een Chardonnay.’

Antwoord 11: Je smaak verandert niet, zegt men in koor. Wel krijg je de subtiliteiten meer in de gaten. Crum wijst op een groeiproces: ‘In die zin is mijn oordeel van vijf jaar geleden niet meer geldig.’ Maar Duijker ‘kan nu nog steeds geur van viooltjes ruiken van mijn allereerste grote wijn, een château Branaire-Ducru 1959. Die kreeg ik van mijn vrouw. Toen ik begon met wijndrinken, ging dat via Pinard, Rose d’Anjou en Moselblümchen. Dat station ben ik allang gepasseerd.’

Antwoord 12: De wijn die iedereen lekker vindt, krijgt de voorkeur van Van Heusden. De vijf anderen vinden de keus voor de meesterlijke wijn vanzelfsprekend. Van Heusden ziet de vraag als een voorzet voor open doel: ‘Mooi en lekker voor iedereen. Wijn wordt gemaakt om gedronken te worden. Niet voor elitaire neuzelaars die vergeten dat wijn in feite niets anders is dan een agrarisch product.’ Deze mooie afsluiter lijkt ons een aardig begin voor een levendige discussie bij uw volgende wijnproeverij.

De deskundigen

1.Hubrecht Duijker. De reeks boeken en gidsen die Hubrecht Duijker heeft geschreven, is indrukwekkend. Internationaal heeft hij miljoenen exemplaren verkocht. Ook dankzij de tv is hij Nederlands wijndeskundige nummer 1.

2.Lucette M. Faber schrijft voor NRC Handelsblad, Elle Eten, Résidence, Quoteonwine (internet), de Wijnkrant en het Wijnplein van Jan Rook. Recentelijk verschenen van haar hand: Wijnspreekuur, en Tussen fles en glas. Ze is onlangs begonnen aan een nieuw boek met als werktitel: Het eetfeest.

3.Ronald de Groot proeft voor Perswijn en dagblad Trouw. Hij is lid van de Grand Jury Européenne.

4.René van Heusden. Onze HJ-wijncriticus noemt zichzelf meer een wijnpublicist. Hij schrijft veelal promotioneel en commercieel over wijnen

5.Jan Rook exploiteerde een horecabedrijf en wijnhandel en gaf les aan een middelbare hotelschool.Rook bezoekt wijnevenementen en proeverijen en publiceert zijn verslagen vers van de wijnpers op het Wijnplein.

6.Gert Crum schrijft voor Perswijn, Drankendetail, Italië Magazine en enkele andere bladen. Vorig jaar verschenen drie boeken van zijn hand en hij is bezig met de ontwikkeling van wijnwebsites.

7.Serena Sutcliffe. Zij is bij Sotheby’s verantwoordelijk voor de veiling van grote wijnen. In ’76 werd ze als tweede vrouw Master of Wine. In ’94 en ’95 was zij president van het Master of Wine Institut. Sutcliffe heeft gidsen voor de Bourgogne en de Champagne op haar naam staan.

8.De Amerikaan Robert Parker is nog altijd een van ’s werelds grootste hedendaagse wijncritici. Hij kan reputaties maken en breken. In de wijnwereld spreekt men wel over de ‘Parkerwijnen’. De voormalige advocaat geeft zijn eigen wijnblad uit, The Wine Advocate en heeft tientallen boeken op zijn naam staan