artikel

Algemene brandveiligheidsgebruikseisen voor bouwwerken

Horeca

Wetten en regels over brandpreventie worden op gemeentelijk niveau bepaald. Drie documenten zijn hiervoor van belang: Bouwbesluit, Brandveilig gebouw bouwen en de Bouwverordening. In dit hoofdstuk vindt u de regels zoals die vastgelegd zijn in de Bouwverordening van de gemeente Maastricht.

Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten
1. De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen moeten worden vrijgehouden voor blusvoertuigen, en wel zodanig dat hiervan onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.
2. Op het bij het bouwwerk behorende terrein moeten de beplanting, de parkeerplaatsen, de laad- en losplaatsen en de plaatsen waar goederen en afvallen worden opgeslagen of gedeponeerd, zodanig zijn gesitueerd dat bij brand het oprijden en opstellen van de voertuigen en andere hulpmiddelen van de brandweer niet worden bemoeilijkt of belemmerd.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 5.1.2. van de bouwverordening moet ten behoeve van het verkeer van de hulpverlenende diensten een doorgaande route met een breedte van 4,50 meter voor redvoertuigen en 3,50 meter voor blusvoertuigen en een hoogte van 4,20 meter worden vrijgehouden. Hekwerken die deze route blokkeren moeten snel en gemakkelijk kunnen worden verwijderd.

Artikel 2 Verlichting/elektrische installatie
1. Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op zodanig wijze te gebruiken, dat het gebruik: – door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand – door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.
2. Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen uit het eerst lid, indien de eigenschappen van de verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling Bouwbesluit aansluitvoorwaarden, zoals laatstelijk herzien.

Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden
1. In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare goederen.
2. Een opening ten behoeven van ventilatie, op grond van enige regeling geëist, mag niet worden afgesloten.
3. Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik:
– door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.
– door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar ontstaan van brand.
4. Het in lid 3.3 bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van:
– centrale-verwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor centrale verwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave 1986:
– centrale-verwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties bovendien voldoen aan de gasinstallatie voorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave 1987, en in NEN 1078-A ( aanvulling op NEN 1078), uitgave 1991;
– niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave 1999.
5. Het is verboden een verwarmingstoestel met afvoergelegenheid voor het stoken van vaste of vloeibare brandstof te gebruiken indien de verbrandingsgassen daarvan niet worden afgevoerd door middel van een doeltreffende voorziening voor de afvoer van rook.
6. Het is verboden een verwarmingstoestel voor het stoken met gas te gebruiken indien de verbrandingsgassen daarvan niet worden afgevoerd door middel van een doeltreffend rookkanaal of gasafvoerkanaal.

Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rook
1. Het is verboden een rookkanaal te gebruiken dat niet doeltreffend is gereinigd.
2. Het is verboden een rookkanaal uit te branden.
3. Het is verboden een rookkanaal of gasafvoerkanaal te gebruiken, indien dit gebruik door de toestand waarin dat rookkanaal of dat gasafvoerkanaal zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.
4. Het is verboden een rookkanaal waarin brand heeft gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig hersteld.
5. Het is verboden een rookkanaal te gebruiken als dit zonder een inrichting tot het opvangen van vonken dreigend gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.

Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur
1. Het is verboden te roken of vuur te hebben
– in een ruimte in gebruik als opslagplaats van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt.1992, nr. 104), onder a tot en met H;
– bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken;
– bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar gas.
2. Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is aangegeven.

Artikel 6 Droge blusleiding
1. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van droge blusleidingen.
2. De droge blusleiding moet, na geheel met water te zijn gevuld, worden onderworpen aan een druk van 1600 kPa gemeenten op de hoogte van het maaiveld. Deze druk moet zich zonder bijpompen gedurende 5 minuten handhaven. Boven de 75 meter moet voor elke 10 meter de druk met 100 kPa worden verhoogd.
3. Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar moet de droge blusleiding worden getest, zoals in het tweede lid is weergegeven. Restulaten van deze test moeten, in de vorm van een testrapport, aan de commandant van de brandweer worden gezonden.
4. De pompinstallatie voor de droge blusleiding moet voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 9 van het boek ‘Een brandveilig gebouw installeren’(Uitgave Nederlandse Brandweer Federatie).
5. De pompinstallatie voor de droge blusleiding moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.
6. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de pompinstallatie voor de droge blusleiding.

Artikel 7 Brandweerlift
1. De brandweerlift moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.
2. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht een controle worden gehouden op de goede werking van de pompinstallatie voor de droge blusleiding.

Artikel 8 Brandmeldinstallatie
1. De brandweerlift moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.
2. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid, veiligheid en goede werking van brandweerliften.

Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie
1. De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn. De ontruimingsalarminstallatie moet in een goede staat verkeren en voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 2 van het boek ‘Een brandveilig gebouw installeren’( Uitgave Nederlandse Brandweer Federatie).
2. De ontruimingsalarminstallatie moet eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zonodig gerepareerd.
3. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van ontruimingsalarminstallatie.
4. De rechthebbende op het bouwwerk waarin een ontruimingsalarminstallatie is geëist, moet een ontruimingsplan opstellen ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige personen.
5. Ten minste eenmaal per jaar dient een oefening van het ontruimingsplan plaats te vinden. Bij deze oefening dient ten minste een gedeelte van het bouwwerk ontruimd te worden.
6. Door of namens burgemeester en wethouders kunnen tijdstippen worden bepaald waarop de ontruimingsoefeningen moeten plaatsvinden.

Artikel 10 Brandblusinstallatie
Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling.

Toelichting
De voorkeur verdienen certificaten van een installing die is erkend door de Stichting Raad voor de Certificatie (RvC) te Driebergen. Het non-discrimatiebeginsel uit het EEG-verdrag brengt met zich mee dat certificaten van instellingen uit andere landen van de Europese Unie niet mogen worden geweigerd, mits zulke certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de ‘bonafide’ instituten in Nederland worden afgegeven. De onderhavige eis in de bouwverordening geldt uitsluitend voor een certificaat(gedeelte) inzake het gebruik van de automatische brandblusinstallaties, dat wil zeggen een – niet verlopen – kwaliteitsverklaring betreffende de periodieke goedkeuring van de staat van onderhoud, het gebruiksgereed zijn en de goede werking. Certificaten van het Bureau voor Sprinklerbeveiliging (BvS) te Bilhoven omvatten meer aspecten en hebben momenteel slechts gedeeltelijk betrekking op laatstgenoemde periodieke keuringen. De overige aspecten van deze certificaten hebben betrekking op de kwaliteit en de wijze van aanleg van automatische brandblusinstallaties. Dit zijn aspecten die niet zijn geregeld in de bouwverordening, maar verband houden met de voorschriften van het Bouwbesluit. In de zin van dat besluit vormt de aanwezigheid van een goede automatische brandblusinstallatie namelijk een oplossing die gelijkwaardig kan zijn aan de normaliter voorgeschreven brand- en rookcompartimentering van een gebouw.

Artikel 11 Pompinstallaties t.b.v. brandslanghaspels (hydrofoor)
1. De pompinstallaties moeten ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig gerepareerd.
2. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van pompinstallaties.

Artikel 12 Automatisch werkende vluchtdeuren
1. De automatisch werkende deuren moeten gedurende de tijd dat personen in het
bouwwerk aanwezig zijn in de stand automatisch, bij een spanningsval in de elektriciteitsvoorziening automatisch openen en in geopende stand blijven staan, tenzij op grond van het Bouwbesluit aan deze deuren een eis is gesteld met betrekking tot de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) en/of de weerstand tegen rookdoorgang (WRD).
2. Bij aanwezigheid van een sluisconstructie dienen voorzieningen te zijn getroffen dat in geval van brand de sluiswerking niet teniet wordt gedaan overeenkomstig het gestelde in hoofdstuk 10 van het boek ‘Een brandveilig gebouw installeren’(Uitgave Nederlandse Brandweer Federatie).

Artikel 12 A Vluchtdeuren van overdruktrappehuizen
De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een overdruktrappehuis, als bedoeld in NEN 6092, moeten op ooghoogte zijn voorzien van een opschrift, luidende: “Bij brandalarm HARD DUWEN’.

Artikel 13 Transparanten
1. Een flessengasinstallatie moet blijvend voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave 1999.
3. De gasflessen moeten geplaatst worden, zoals op de bij de gebruiksvergunning bijbehorende tekeningen is aangegeven.
4. Bij inpandig gebruik van gasflessen met een onbrandbare vulling mag de nominale inhoud van de gevulde en lege flessen gezamenlijk niet meer bedragen dan 110 liter. Inpandig gebruik van gasflessen met een brandbare vulling is niet toegestaan.
5. Een gasfles moet zijn voorzien van een door de Dienst voor het Stoomwezen goede gekeurd type zijn.
6. Tussen gasfles en verbruikstoestel moet een buigzame verbinding voldoen aan de richtlijnen, vermeld in NPR 3378, uitgave 1999.
7. De afstand tussen gasflessenoplsag en een gebouw moet ten minste 5 meter bedragen, tenzij tussen de opslag en dit gebouw en de omgeving hiervan een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten bestaat.

Artikel 15 Rook- en warmteafvoerinstallatie
1. De rook- en warmte afvoerinstallatie moet voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 16 van het boek ‘Een brandveilig gebouw installeren’ (Uitgave Nederlandse Brandweer).
2. De rook- en warmteafvoerinstallatie moet ten minste eenmaal per maand worden ge- controleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.
3. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de rook- en warmteafvoerinstallatie.

Artikel 16 Overdrukinstallatie
1. De overdrukinstallatie moet voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 14van het boek ‘Een brandveilig gebouw installeren’(Uitgave Nederlandse Brandweer Federatie).
2. De overdrukinstallatie moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.
3. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking van de overdrukinstallatie.

Artikel 17 Luchtbehandelingsinstallatie
1. De luchtbehandelingsinstallatie moet voldoen aan het gestelde in hoofdstuk 13 van het boek “Een brandveilig gebouw installeren’( Uitgave Nederlandse Brandweer Federatie).
2. De luchtbehandelingsinstallatie moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.
3. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht een controle worden gehouden op de goede werking van de luchtbehandelinginstallatie.

Artikel 18 Brandweeringang
Een brandweeringang moet door de brandweer te openen zijn met behulp van het bij de brandweer in gebruik zijnde sleutel- c.q.sleutekluissysteem dan wel automatisch bijbrandmelding.

Artikel 19 Register
Alle werkzaamheden aan de bovenmelde installatie moeten in een register worden vermeld. Dit register moet in het bouwwerk ter inzage liggen.

Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale bedrijfsuitoefening
1. Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstelling-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in Regeling bouwbesluit brand- veiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten voldoende maat- regelen zijn getroffen tegen het ontstaan van brand.
2. Voordat de in het voorgaande lid genoemde werkzaamheden verricht worden in, op of aan een bouwwerk of installatie van een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, dient dit door de rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester en wethouders te worden gemeld.

Algemene brandveiligheidsgebruikseisen voor bouwwerken niet zijnde een- en meergezinshuizen en woonwagens, behalve voor een- en meergezinshuizen en woonwagen waarin sprake is van een verminderde zelfredzaamheid van bewoners in combinatie met permanent toezicht op en begeleiding van bewoners.

Artikel 21 Uitgangen en vluchtwegen
1. De ingangen, doorgangen, uitgangen, nooduitgangen, gangpaden, galerijen, trappen, hellingbanen en vluchtwegen moeten te allen tijde over de minimaal vereiste breedte zijn vrijgehouden van obstakels en steeds voldoende stroef zijn. Dit geldt eveneens voor het als verlengstuk van de vluchtwegen aan te merken gedeelte van het aansluit- ende terrein.
2. Een (nood) uitgangsdeur mag bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk uitsluitend zodanig zijn gesloten, dat de uitgangsdeur van binnen uit ogenblikkelijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hier toe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los voorwerp.
3. Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben, mogen niet langer in geopende stand worden gehouden dan voor het verkeer van personen of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel van automatische inrichting- en behoeven de goedkeuring van burgemeester en wethouders.
4. Buitentrappen en hellingbanen van bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen moeten worden vrijgehouden van sneeuw en ijs.
5. Deuren, hekken en ander afsluitingen in vluchtwegen moeten, indien deze niet draaien in de vluchtrichting, gedurende tijd dat in het gebouw personen aanwezig zijn, in geheel geopende stand worden gehouden en zodanig zijn vastgezet dat ze niet door onbevoegden kunnen worden gesloten (dit geldt niet voor brandwerende deuren).
6. Gordijnen in of voor een ingang, doorgang, uitgang en nooduitgang e.d. moeten zodanig zijn aangebracht, dat deze met de deuren meedraaien in generlei opzicht het openen van de deuren belemmeren en/of verhinderen.
7. Kabels en snoeren moeten ingeval deze over de vloer moeten lopen met goede plakstrips worden vastgeplakt en wel zodanig dat struikelen en/of vallen wordt voorkomen.
8. Rookvorming, veroorzaakt door bij voorbeeld een rookapparaat of koudijs of op andere wijze gemaakt mag nooit een snelle ontruiming verhinderen.

Artikel 22 Stoffering en versiering
1. Stoffering en versiering moet vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 80º C bedraagt.
2. Vloer- en trapbedekkingen in vluchtwegen en in ruimte waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen verblijven moeten zodanig zijn aangebracht dat zij niet kunnen verschuiven, omkrullen of oprollen en mogen in generlei opzicht gevaar voor uitglij- den, struikelen of vallen kunnen veroorzaken.
3. Gordijnen en andere verticale stofferingen in ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen verblijven moeten 0.10 meter vrij van de vloer worden gehouden.
4. Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering moet een vrije ruimte van minimaal 2,50 meter overblijven. Deze versiering mag niet gemak- kelijk ontvlambaar zijn, in geval van brand mag geen druppelvorming plaatsvinden.
5. Met brandbaar gas gevulde ballonnen mogen niet aanwezig zijn.
6. De toe te passen, verticaal op te hangen textielproducten moeten in vluchtwegen en in ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen verblijven, een navlamduur hebben van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden, bepaald volgens de normen NEN EN ISO 6940 en 6941, uitgaven 1995.
7. De toegepaste bekledingsmaterialen moeten voldoen aan:
– NEN 1775, uitgave 1991, en NEN 1775/A1, uitgave 1997, klasse T1 ten aanzien van vloeren.
– NEN 6065, uitgave 1991, en NEN 6065/A1, uitgave 1997, klasse 2 ten aanzien van de overige aankleding en versiering:
– de eis ten aanzien van gordijnen van een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden, bepaald volgens NEN EN ISO 6940 en 6941, uitgaven 1995.
– NEN 6066, uitgave 1991 en NEN 6066/A1, uitgave 1997, optische rookdichtheid <2,2 m-1, waarbij laatstgenoemde eis niet geld voor vloeren en tredevlakken.>

Artikel 23 Installaties
1. De elektrische verlichting moet aan de volgende eisen voldoen:
a) Indien voor het gebruik door personen bestemde ruimten van een gebouw overdag onvoldoende daglicht ontvangen of dergelijke ruimten na zonsondergang worden gebruikt, moet met het oog op het veilig kunnen verlaten van het gebouw in die ruimten tijdens het gebruik daarvan een zodanige elektrische verlichting in werking zijn, dat de verlichtingssterkte op vloerniveau ten minste 10 lux bedraagt.
b) Indien voor het gebruik door personen bestemde gedeelten van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, overdag onvoldoende daglicht ontvangen of dergelijke gedeelten na zonsondergang worden gebruikt moet met het oog op het veilig kunnen verlaten van het bouwwerk op die gedeelten tijdens het gebruik daarvan een zodanige elektrische verlichting in werking zijn, dat de verlichtingssterkte op vloerniveau ten minste 10 lux bedraagt.
c) Wanneer aan de buitenzijde van de uitgangen van het bouwwerk onvoldoende daglicht aanwezig is, moeten daar lampen van de elektrische buitenverlichting branden (minimaal 10 lux op de vloer).
d) Treden in ruimten die tijdens de aanwezigheid van personen zijn verduisterd, moeten zodanig zijn verlicht dat deze duidelijk zichtbaar zijn.
e) Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de aanwezigheid van personen wordt verduisterd, moet in die ruimte, indien er meer dan 50 personen gelijktijdig verblijven, lampen branden van zodanige sterkte dat een redelijke orieëntering mogelijk is.
f) Het gebruik van andere dan elektrische verlichting is verboden.

2. Installaties voor verwarming en kookdoeleinden
a) In het bouwwerk mogen, met uitzondering van olie-gevulde radiatoren, geen losse verwarmingstoestellen aanwezig zijn.
b) Tijdelijke gasinstallaties mogen maximaal 10 meter vanaf een niet vast opgesteld verbruikstoestel worden geplaatst. Indien de verbinding door middel van een slang plaatsvindt, dan moet dit een GIVEG goedgekeurde slang zijn. De slang moet met deugdelijke slangklemmen op de slangpilaren bevestigd zijn.
c) De opstelling van een kooktoestel moet brandveilig zijn.

Artikel 24 Blusmiddelen
Bij inbouw moet het blusmiddel door middel van een door burgemeester en wethouders goedgekeurde pictogram of door middel van een aanduiding worden aangegeven.

Artikel 25 Verbod voor roken, open vuur en vuurwerk
1. Het rookverbod c.q. openvuurverbod moet op opvallende plaatsen duidelijk zichtbaar staan aangegeven door middel van het opschrift ‘VERBODEN TE ROKEN’ of ‘VERBODEN VOOR OPEN VUUR’; of door een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN-3011, uitgave 1986.
2. Kaarsen moeten op stabiele en degelijke, niet gemakkelijk ontvlambare, standaards zijn vastgezet.
3. Voor het afsteken van vuurwerk in bouwwerken dient 14 dagen van tevoren een overzicht bij burgemeester en wethouders te worden ingediend, waaruit blijkt dat die activiteit op veilige wijze zal plaatsvinden.

Artikel 26 Opstellingsplannen
1. Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig zijn van ten minsten 0.40 meter, gemeten tussen de loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de genoemde vrije ruimte ter plaatse van de tafeltjes doorlopen.
2. Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moeten, indien een rij meer dan 4 stoelen bevat en 4 of meer rijen achter elkaar zijn geplaatst, deze zo zijn gekoppeld dan wel aan de vloer zijn bevestigd dat deze ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen. De stoelkoppeling moet ten genoegen van burgemeester en wethouders zijn uitgevoerd.
3. Een rij zitplaatsen, die slecht aan één einde op een gangpad of een uitgang uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.
4. Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang uitkomt, mag ten hoogste bevatten:
– 16 zitplaatsen, indien de vrije ruimten tussen de rijen kleiner is dan 0,45 meter,
– 32 zitplaatsen, indien de vrije ruimten tussen de rijen groter is dan 0.45 meter,
– 50 zitplaatsen, indien de vrije ruimten tussen de rijen groter is dan 0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per 4 rijen een uitgang met een breedte van ten minste 1.10 meter aanwezig is.
5. Meubelen en voor aankleding of versiering diende voorwerpen op en op minder dan 2,50 meter hoogte boven de vloer van een ruimte waarin personen verblijven, mogen – voor meubelen gemeten bij gebruik daarvan – in loodrechte projectie op de vloer van de ruimte slechts een zodanig ruimte beslaan dat ten minste:
– 0.25 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor ieder persoon waarvoor geen zitplaats aanwezig is:
– 0.30 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen:
– 0,50 m² vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen.
6. Meubelen en voor aankleding of versiering dienende voorwerpen in een ruimte waarin personen verblijven moeten indien de vrije vloeroppervlakte minder dan 0.50 m² per persoon bedraagt, zodanig zijn aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.
7. Van ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen verblijven dient ten genoegen van de burgmeester en wethouders een opstellingsplan aanwezig te zijn.

Artikel 27 Afval
1. Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde goed af te sluiten containers van moeilijk brandbaar materiaal, voorzover de containers binnen het bouwwerk zijn opgesteld.
2. Asbakken moeten regelmatig, maar ten minste dagelijks worden gelegd in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. De inhoud van deze asverzamelaars mag slechts in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn voorzien, worden gedeponeerd.
3. De aanwezige asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd.

Artikel 28 Periodieke controle
1. Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en de goede werking van en zo nodig gerepareerd, voor zover van toepassing, onderstaande voorzieningen:
– brandhaspels
– handbrandblusapparaten
– telefooninstallaties
– sluiting mechanisme van de brandwerende rolluiken:
– doorvoeringen en sluitingsmechanismen van afsluitingen in brandwerende scheidingen.
2. De registratie van de controlewerkzaamheden dient te worden bijgehouden in een speciaal daarvoor bestemd register.
3. De met controle belaste functionarissen van de brandweer kunnen tijdstippen bepalen en de wijze aangeven waarop en ander wordt beproefd.