artikel

column Broodje Bollen

Horeca

-

Af en toe loop ik nog eens langs de broodjeszaak waar ik ooit werkte. Het pandje staat nu weer leeg, nadat er enkele vage winkeltjes in hebben gezeten. Soms mis het dan het gefröbel met belegde broodjes, mijn oude baas Ute, maar vooral het contact met de klanten. Als iemand mij dat destijds had verteld, was ik hard gaan lachen. Want we hadden klanten van allerlei pluimage. Ook heel vervelende. Maar dat zult u in uw zaak wel herkennen.
Af en toe had ik het gevoel of wij met onze broodjeszaak een opvangcentrum voor verloren zieltjes waren. Zo was er het meisje dat enkele keren per week tussen de middag kwam, een tijdje voor de vitrine stond en dan met een effen gezicht haar bestelling opsomde. ‘Een broodje tartaar, een broodje ham/kaas, een Berliner bol en twee gebakjes en doe er nog maar een puddingbroodje bij.’ In het begin dacht ik nog dat ze haar collega’s trakteerde. Tot ze op een middag zomaar begon te vertellen dat haar vriendje het had uitgemaakt. En dat ze zich geen raad wist en zichzelf dan maar verwende met wat lekkers. Veel lekkers!
Dit was nog een lieve klant. We hadden ook een sjofele man, met altijd hetzelfde stinkende, te kleine spijkerjack en een cowboyhoed. Hij wilde op een keer graag van het toilet gebruik maken. Dat was eigenlijk voor het personeel, maar vooruit. Tot mijn bazin Ute na hem naar het kleine kamertje wilde. Ik kon haar voor in de winkel horen schreeuwen. De cowboy had darmproblemen en daarmee ons toilet ernstig bevuild. Mijn bazin wilde het persé zelf schoonmaken. Dat wilde ze ons niet aandoen, wat ik erg aardig vond. De cowboy wilde nadien wekelijks naar onze wc. Van Ute moesten we dan smoezen verzinnen. ‘Zeg maar dat de wc verstopt zit. Hij komt er niet meer op!’
Maar de ergste klant was veruit mevrouw Wildenstein. Zij wilde alleen met de bazin te maken hebben, wij waren alleen goed om haar reuzenbestelling in de auto te laden. Maar Ute was ondanks haar grote afname van broodjes en taart niet blij met mevrouw Wildenstein. Als de taxi stopte, vluchtte Ute naar achteren. ‘Zeg maar dat ik er niet ben’, riep ze nog in het voorbijgaan. Dan zaten wij ermee.
Maar toch mis ik ze, de klanten. Het menselijk contact maakt het werken in de horeca bij uitstek leuk, toch?