artikel

Oerol-organisator Joop Mulder

Horeca

Initiatiefnemer Joop Mulder is apetrots op de waardering die zijn festival inmiddels ook ontvangt van lokale middenstand, gemeente en culturele instellingen. Anders dan bij het publiek had de oud-kroegbaas daar wel een lange adem voor nodig. ‘Ik ben een soort jutter op een cultureel strand.

Het spreekwoordelijke kanon kan er worden afgeschoten. Op de campings. De vele vakantiewoningen. In de dorpsstraten van West-Terschelling en Midsland. Terschelling is op deze zonnige voorjaarsdag een oase van rust. Het handjevol toeristen dat op het eiland aanwezig is, vlijt zich met roodverbrande hoofden neer op de terrassen van bedrijven als De Rustende Jager en strandpaviljoen De Walvis. Voor enige drukte van betekenis zorgt alleen de veerboot. Drie keer per dag vaart de Friesland heen en weer. Maar snel na aankomst ligt de kade er alweer verlaten bij. De viskar sluit de luiken.

Vooruitgang
Ook op het Oerol Office is het nog rustig. Het voormalige schoolgebouw is sinds vier jaar het organisatorische hart van het festival. Artistiek directeur Joop Mulder erkent dat de staat van het pand te wensen overlaat. Maar het blijft een hele vooruitgang. Jarenlang moest alles worden geregeld vanuit de woonruimte boven zijn eigen café De Stoep. Dat ging echt niet langer. Vond ook de gemeente.
Vijf vaste medewerkers houden zich het hele jaar door met Oerol bezig. In aanloop naar het festival groeit dit gezelschap gestaag tot zo’n 60, 70 mensen. En als op vrijdag 14 juni Jan Wolkers het festival opent met het voordragen van een gedicht hebben ze versterking gekregen van nog eens 250 vrijwilligers. Tien dagen lang, tot 25 juni, is Terschelling weer één groot podium. Of het nu een duinpan is, het bos, op straat, een oude bunker of op het strand. Overal kan een theatermaker, muzikant of straatartiest worden aangetroffen.

Beu
Oerol is ‘big’ geworden. Big business ook. De 40- tot 50.000 bezoekers die jaarlijks naar het festival komen, geven gemiddeld ieder tussen de ƒ400,- en ƒ700,- uit. Zo is becijferd. Het was dan ook schrikken toen Joop Mulder er in 1993 de stekker uittrok. Beu als hij het gebedel om subsidiegelden en gebrek aan brede steun bij gemeente, provincie Friesland en het lokale bedrijfsleven was. ‘Hier in het Noorden heerste bij veel instanties lang het idee “ach die Mulder redt zich wel”. Achteraf is het misschien ook wel mijn grootste fout geweest dat ik het eigen enthousiasme om het festival draaiende te houden te veel tentoonspreidde’’

Subsidiestroom
Het schokeffect miste zijn uitwerking niet. De Oerol-organisatoren grepen weliswaar het 400-jarig bestaan van vuurtoren de Brandaris aan om toch nog iets ‘festivalachtigs’ op poten te zetten, de economische klap waarmee Terschelling werd geconfronteerd was groot. In ijltempo kwam een structurele subsidiestroom op gang. Ook het zakenleven bleek bereid gul de buidel te trekken. In bierbrouwer Dommelsch vond het festival zijn hoofdsponsor. Dit alles resulteert in een jaarlijks Oerol-budget van 2 miljoen gulden. Tijdens het festival nog eens aangevuld met de inkomsten van de kaartjesverkoop voor de vele voorstellingen. Desondanks zegt Mulder: ‘Als je nagaat dat we zijn uitgegroeid tot één van de grootste Europese festivals maar het moeten doen met een budget dat maar een kwart is van vergelijkbare festivals, dan zitten wij als Oerol nog steeds in een te klein jasje.’

Talentvol barkeeper
Joop Mulder was 25 toen hij Café De Stoep in Midsland overnam. De zoon uit een Bolswarder middenstandsgezin sprong even bij achter de bar van een vriend. ‘Zo ben ik ontdekt als talentvol barkeeper’, herinnert hij zich bijna een kwart eeuw later in de kantine van het Oerol Office. Na eerst bedrijfsleider in het café te zijn geworden, nam hij De Stoep in 1977 over. Dat hij niet van Terschelling afkomstig was, heeft hem nooit gehinderd. ‘Nee, ik heb nooit iets van tegenwerking van de eilanders gemerkt. Maar ik kwam hier dan ook al van jongs af aan. Met mijn ouders mee op vakantie.’
Al snel ging het café zich onderscheiden van de collega’s op het eiland door de uiteenlopende activiteiten die er in de zaak op poten werden gezet. ‘Ik organiseerde hier van alles. Kleinschalig theater. Film. Beeldende kunst. Jules Deelder en Simon Vinkenoog zijn geweest. Gedichten voorlezen. Ook hadden we ons eigen krantje, Beppe’s Bakje. Een soort roddelbad voor Midsland. Ik zag mijn kroeg als een totaaltheater. Maar De Stoep werd veel te klein. Zo groeiden we na verloop van tijd eigenlijk vanzelf de straat op.’
Oerol was geboren. Een weekend werd midweek en al na een paar jaar duurde het festival tien dagen. Het succes had ook een keerzijde. Met het café waar het allemaal begon, ging het bergafwaarts. ‘Ik hoef geen kroegbaas uit te leggen hoe belangrijk het is om je eigen zaak in de gaten te houden. Je zag het verpauperen. Het personeel moest teveel op eigen houtje doen. Iets wat ik ze absoluut niet kan verwijten, maar ik had eenvoudigweg niet de tijd om er iets aan te doen. Twee jaar geleden heb ik de zaak verpacht aan een jong stel. Die gaan er echt helemaal voor en je ziet ook dat het nu weer goed gaat.’

De snor
Gevraagd naar zijn gevoel als op vrijdagavond de aftrap van Oerol wordt gegeven, antwoordt Joop Mulder tien dagen te leven in een roes. Als artistiek directeur is hij naar eigen zeggen de ogen en oren van het festival. ‘Ik ben de kapitein op het schip, maar ook gastheer en gezicht van het festival. Het hele pr-gedeelte zit bij “de snor”, zoals ze me ook wel noemen. En dat alles legt toch een behoorlijke druk op je.’
Als het even kan, probeert Mulder alle voorstellingen te bekijken. Dat valt niet mee. Het zijn er niet alleen erg veel, ze vinden ook verspreid over het hele eiland plaats. Daarnaast zijn er in nagenoeg alle cafés ‘s avonds muzikale optredens. Al laat Mulder die grotendeels aan zich voorbij gaan. ‘Wat er in de cafés gebeurt, is mijn domein niet. Wel is het zo dat de ene caféhouder beter begrijpt waar het Oerol-publiek voor komt dan de ander. De muzikale koers van het Oerol-festival is gericht op wereldmuziek’’
Mulder wil het niet met zoveel woorden zeggen, maar sommige horecacollega’s kijken louter naar de economische revenuen die een weekje Oerol voor hen oplevert. Ze weigeren op cultureel gebied een inhoudelijk steentje bij te dragen. ‘Er zijn nog steeds collega’s die zich daar niet in kunnen vinden. Of ik verder overal gratis bier mag drinken? Helaas, was het maar waar’, lacht Mulder. ‘Maar het is zeker zo dat een groot aantal collega’s wel waardeert wat ik in de loop der jaren heb gedaan. Dat wordt nooit met zoveel woorden gezegd, maar zoiets merk je vooral in de omgang.’

Niet vol
Het succes heeft ook een keerzijde. Oerol is inmiddels uitgegroeid tot de drukste week van het jaar op het eiland. Dat leidt soms tot extreem lange wachttijden voor wie de oversteek wil maken en teleurstellingen als aan de overkant blijkt dat de gewenste camping vol blijkt te zijn. ‘Doeksen (de rederij, red.) blijft maar mensen aanvoeren, maar wij kunnen er niemand meer bij hebben. We hebben veel mensen weg moeten sturen’, klaagde een campinghouder vorig jaar. Met deze kritiek geconfronteerd, zegt Mulder: ‘Het eiland is nog nooit helemaal vol geweest. Het kan voorkomen dat mensen niet daar terechtkunnen waar ze willen staan. Maar tot nu waren er altijd campings die nog ruimte beschikbaar hadden.’
Hij vervolgt: ‘De speerpunt is niet kwantitatief maar kwalitatief. Op geen enkele manier is het beleid erop gericht meer mensen naar het eiland te trekken.’ Neemt niet weg dat de junidrukte tot jaloerse blikken heeft geleid bij collega’s aan de kust. Immers op Terschelling begint het hoofdseizoen aantrekkelijk vroeg. Voor het opzetten van het Roggefestival op Ameland wilde Mulder nog wel een handje helpen, maar diverse plaatsen langs de Nederlandse kust hebben aangegeven ook ‘iets Oerol-achtigs’ te willen. De doelstellingen van deze initiatieven zijn minder zuiver dan die Mulder nastreeft. ‘Op geen enkele manier willen wij de inhoud van het festival koppelen aan economische belangen. De plaatselijke middenstand zou bijvoorbeeld graag meer straattheater willen. Dat doen we niet. Voor ons staat de kwaliteit voorop. Het festival wil zich profileren met locatietheater. Cultuur in natuur. Het eiland als podium.’

Paradiso
Los van de tien dagen in juni heeft Oerol het hele eiland een impuls gegeven waar het ‘t organiseren van activiteiten betreft. Mulder: ‘Toen we er mee begonnen, hadden we hier op het eiland eigenlijk alleen maar Hessel. Nu zie je dat er bijna het hele jaar door livemuziek in de cafés wordt geprogrammeerd. Ieder jaar in september is er bovendien een rock ’n roll-festival in Midsland dat ik ooit nog eens zelf heb opgezet. En ook is er een klein filmfestivalletje ontstaan.’ Zelfs tot in Amsterdam is het Oerol-festival doorgedrongen. ‘Die stad is sowieso een belangrijke uitvalsbasis voor ons. In de winter organiseren we ook vaak een avond in Paradiso. Het is niet alleen een soort reünie voor de medewerkers, maar we laten ook alvast zien wat we voor komend jaar in gedachten hebben.’

Huisjes
Het scala aan activiteiten houdt Terschelling bijna het hele jaar door onder de aandacht van de toerist die op zoek is naar ontspanning én vertier. ‘Vroeger hadden we maar een heel kort hoogseizoen. Nu zie je dat het steeds meer wordt gespreid. Het is alleen jammer dat steeds meer campinghouders huisjes op hun terrein neerzetten. Iets wat je overigens langs de hele kust ziet gebeuren. De meeste toeristen kwamen hier al als kind met hun ouders. Toen als tiener en inmiddels nemen ze hun eigen kinderen weer mee. Maar voor tieners zijn huisjes onbetaalbaar. Je doorbreekt de natuurlijke kringloop.’ Toch is de kampeerder van essentieel belang voor de horeca, zo meent “de snor”. ‘Als je in een tent zit, ga je vaker uit eten en bezoekt ’s avonds de kroeg. De huisjesmensen koken zelf en kruipen ’s avonds voor de eigen open haard.’
Zo kort voor aanvang van een nieuwe Oerol-editie wil Mulder hier echter niet te lang bij stilstaan. Half mei zijn de eerste theatermakers al naar het eiland gekomen om te beginnen met hun voorbereidingen. Als Mulder na het maken van de foto het zand uit zijn broek klopt, zegt hij: ‘Het leuke is dat er ieder jaar meer eilanders naar de voorstellingen komen. Oerol leeft. Ik denk dat de meeste inwoners er trots op zijn.’