artikel

Horecabond eist WW voor seizoensarbeiders

Horeca

ALMERE – De FNV Horecabond gaat procederen tegen het ‘volstrekt onjuiste’ overheidsbeleid voor seizoenswerknemers. Volgens de bond dreigt dit najaar een groot deel van werknemers bij strandtenten, pretparken en bungalowparken door nieuw beleid in een financieel gat te vallen, omdat zij niet meer in aanmerking komen voor een WW-uitkering.

De Horecabond maakte woensdag bekend dat zij voor individuele leden die seizoensarbeid verrichten, een beroepsprocedure begint als hen een WW-uitkering wordt geweigerd. Nu het zomerseizoen zo goed als voorbij is, verliezen ongeveer 7000 werknemers bij horeca- en recreatiebedrijven hun baan. Voorheen kwamen deze mensen automatisch in aanmerking voor een WW-uitkering. ‘Door een strengere toepassing van regels kan dat echter niet meer’, zegt bestuurder B. Francooy van de Horecabond.

Al langer bestaat de regel dat seizoensarbeiders alleen in aanmerking komen voor een tijdelijke WW-uitkering als het werk afhankelijk is van het weer, zoals de oogst. In de horeca- en recreatiebranche is echter alleen sprake van seizoenswerk, zo heeft het Landelijk Instituut voor de Sociale Verzekeringen (LISV) eerder dit jaar bepaald, als een bedrijf aan het eind van het seizoen volledig de deuren sluit.

Hierdoor vallen werknemers die tijdens de zomerpiek worden opgeroepen bij bedrijven die het gehele jaar open zijn ten onrechte buiten de boot, stelt de vakbondsman. ‘Of zij werk hebben, is immers net zo goed afhankelijk van het weer.’

Francooy zegt de problemen deze zomer al te hebben aangekaart bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, maar kreeg daarop geen bevredigende reactie. ‘Dan blijft over een gang naar de beroepsrechter.’ Over ongeveer een maand verwacht hij een overzicht te hebben van het aantal gedupeerde leden.

Een woordvoerder van het LISV zegt dat bij het toekennen van WW-uitkeringen aan seizoenskrachten in de horeca ‘al de volledige ruimte wordt benut, zoals die is gegeven door de overheid’. Als de vakbond wil dat de regels ruimer worden toegepast, moet de organisatie volgens hem ‘inderdaad’ bij de beroepsrechter of het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn.