artikel

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens

Horeca

In artikel 1 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staat dat alle mensen vrij en gelijk worden geboren. In de dertig artikelen van de verklaring zijn alle fundamentele rechten opgesomd. Daaronder zijn ‘integriteitrechten’, zoals die op leven, op erkenning als persoon voor de wet en op vrijwaring van marteling. Politieke rechten, zoals het recht te kiezen en gekozen te worden in geheime verkiezingen. Het recht op asiel en op speciale bescherming van kinderen. En sociaal-economische rechten, zoals de rechten op werk, beloning, sociale zekerheid, onderwijs, huisvesting, rechtshulp en medische verzorging.

De Universele Verklaring is niet bindend, maar er zijn vele verdragen uit voortgekomen die wel verplichtend zijn. Amnesty International zet zich voor de naleving van alle artikelen uit de verklaring. Meer in het bijzonder voert de organisatie actie tegen schendingen van een aantal van die rechten. Amnesty International beschouwt de Universele Verklaring als de meest gezaghebbende tekst op het gebied van de mensenrechten. Dat wil niet zeggen dat het werk voor mensenrechten tot de letter van deze tekst beperkt moet blijven. Er zijn later diverse verklaringen en verdragen tot stand gekomen die de Universele Verklaring hebben verduidelijkt, of de reikwijdte ervan hebben vergroot.

Het ontstaan
De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die op 10 december 1948 door de Verenigde Naties (VN) werd aanvaard, was een werkstuk van velen. Dat kunnen we zien aan de namenlijst van degenen die de tekst schreven. Een van hen was de Franse jurist René Cassin, die in 1968 de Nobelprijs voor de Vrede kreeg. Leden van de redactiecommissie waren verder een Libanese jurist, een Chinese historicus, een voormalige Tsjechische president, een Chileense diplomaat, een Panamese rechtsgeleerde, en deskundigen uit Uruguay, Iran, Mexico, India en Rusland. Voorafgaand aan de opstelling van de tekst had de VN een internationaal onderzoek laten uitvoeren naar de manieren waarop mensenrechten in allerlei tradities en culturen verwoord waren.

Eleanor Roosevelt
De sleutelfiguur in de totstandkoming van de Universele Verklaring was Eleanor Roosevelt. Zij was al zeer actief als echtgenote van de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt. Na diens dood in 1945 werd zij voorzitter van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens. Eleanor Roosevelt maakte duidelijk dat ze geen uitputtende opsomming wilde, maar een minimumverklaring die brede instemming zou krijgen. Zoals iemand uit haar omgeving zei: ‘We zijn het eens over de rechten op voorwaarde dat niemand vraagt waarom.’

De ingewijden wisten dat wat er in de verklaring ontbrak, dat wil zeggen was weggelaten omdat er onmogelijk overeenstemming over kon worden bereikt. Abortus, de doodstraf, het klachtrecht, de rechten van minderheden, de vrijheid van drukpers, om maar een paar zaken te noemen die niet in de Universele Verklaring zijn opgenomen: ze waren allemaal uitvoerig aan de orde geweest, maar ten slotte omwille van de consensus weggelaten.

Slotstemming
In haar autobiografie schreef Eleanor Roosevelt over de laatste onderhandelingen rond de Universele Verklaring: ‘Bij de slotstemming van het comité dat het ontwerp van de verklaring naar de Algemene Vergadering moest brengen, onthielden de vertegenwoordigers van vier moslimlanden zich van stemming; ze legden uit dat ze geloofden dat het artikel over vrijheid van godsdienst in strijd was met de Koran.

We raadpleegden de minister van Buitenlandse Zaken van Pakistan, de grootste moslimnatie. Hij zei: “Naar mijn mening heeft onze Pakistaanse vertegenwoordiger de Koran verkeerd geïnterpreteerd. Ik lees in de Koran dat ‘hij die kan geloven zal geloven, hij die niet kan geloven niet zal geloven; de enige onvergeeflijke zonde is hypocriet te zijn’. Ik zal stemmen voor de Universele Verklaring.”

Uiteindelijk werd er in de Algemene Vergadering van de VN geen stem uitgebracht tégen de Universele Verklaring, maar er waren een paar teleurstellende onthoudingen. De Sovjetunie en haar satellietstaten onthielden zich, omdat de Russische delegatie ons voorhield dat de verklaring de nadruk legde op ‘achttiende-eeuwse rechten’ en niet voldoende op economische, sociale en culturele rechten.

De gedelegeerde van Saoedi-Arabië onthield zich, zeggende dat hij er heel zeker van was dat de koning niet zou instemmen met de interpretatie van de Koran. Zuid-Afrika onthield zich tot mijn verdriet ook; haar vertegenwoordiger zei dat de regering de bevolking basismensenrechten hoopte te geven, maar dat de verklaring te ver ging.’

Discussie over ‘universaliteit’
Het grensoverschrijdende, ‘universele’ karakter van de mensenrechten wordt vaak aangevochten door regeringen. Zij beweren dat de plaatselijke cultuur en traditie voorrang dienen te krijgen. Zo voeren bijvoorbeeld regeringen in Azië als argument aan dat de internationale mensenrechtennormen voornamelijk zijn gebaseerd op westerse ideeën. Die zouden onverenigbaar zijn met Aziatische samenlevingen, omdat zij individuele rechten centraal stellen. Deze regeringen wijzen op misdaad, sociale problemen en het uiteenvallen van gezins- en gemeenschapsstructuren als symptomen van ‘buitensporig individualisme in westerse samenlevingen’.

Het universele karakter van de mensenrechten is geen mythe. Het verzet van bepaalde regeringen tegen de mensenrechten is in het algemeen een poging om te verdoezelen dat ze hun burgers geenszins een fatsoenlijk bestaan kunnen garanderen, en dat ze het verzet dat daardoor rijst de kop in drukken. Deze regeringen scheppen hun eigen mythe: schendingen van mensenrechten, zoals de onderdrukking van vrije meningsuiting, zouden zijn te rechtvaardigen uit naam van sociale en economische ontwikkeling.

Als we ons eerst maar op economische groei concentreren, zeggen deze regeringen, dan zullen de andere rechten als vanzelf volgen. Deze regeringen willen niet dat andere landen of de ‘wereldgemeenschap’ hun voorschrijven hoe ze economische groei en ontwikkeling moeten bevorderen, en ook niet hoe ze de mensenrechten zouden moeten naleven.

Economische groei is echter lang niet altijd gelijk aan echte menselijke ontwikkeling. Niemand zal ontkennen dat economische ontwikkeling belangrijk is. Honger is een slechte basis om te ijveren voor vrijheid van meningsuiting. Maar het omgekeerde is niet minder waar: als er geen politieke vrijheid is, wordt het mensen heel moeilijk gemaakt hun economische en maatschappelijke belangen te verdedigen. Als er geen vrijheid van informatie en meningsuiting bestaat, zal zelfs het feit van een hongersnood de buitenwereld vaak niet bereiken. Daarom zijn mensenrechten ondeelbaar.

De Universele Verklaring is niet bindend, maar er zijn vele verdragen uit voortgekomen die wel verplichtend zijn. Amnesty International zet zich voor de naleving van alle artikelen uit de verklaring. Meer in het bijzonder voert de organisatie actie tegen schendingen van een aantal van die rechten. Amnesty International beschouwt de Universele Verklaring als de meest gezaghebbende tekst op het gebied van de mensenrechten. Dat wil niet zeggen dat het werk voor mensenrechten tot de letter van deze tekst beperkt moet blijven. Er zijn later diverse verklaringen en verdragen tot stand gekomen die de Universele Verklaring hebben verduidelijkt, of de reikwijdte ervan hebben vergroot.

Het ontstaan
De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die op 10 december 1948 door de Verenigde Naties (VN) werd aanvaard, was een werkstuk van velen. Dat kunnen we zien aan de namenlijst van degenen die de tekst schreven. Een van hen was de Franse jurist René Cassin, die in 1968 de Nobelprijs voor de Vrede kreeg. Leden van de redactiecommissie waren verder een Libanese jurist, een Chinese historicus, een voormalige Tsjechische president, een Chileense diplomaat, een Panamese rechtsgeleerde, en deskundigen uit Uruguay, Iran, Mexico, India en Rusland. Voorafgaand aan de opstelling van de tekst had de VN een internationaal onderzoek laten uitvoeren naar de manieren waarop mensenrechten in allerlei tradities en culturen verwoord waren.

Eleanor Roosevelt
De sleutelfiguur in de totstandkoming van de Universele Verklaring was Eleanor Roosevelt. Zij was al zeer actief als echtgenote van de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt. Na diens dood in 1945 werd zij voorzitter van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens. Eleanor Roosevelt maakte duidelijk dat ze geen uitputtende opsomming wilde, maar een minimumverklaring die brede instemming zou krijgen. Zoals iemand uit haar omgeving zei: ‘We zijn het eens over de rechten op voorwaarde dat niemand vraagt waarom.’

De ingewijden wisten dat wat er in de verklaring ontbrak, dat wil zeggen was weggelaten omdat er onmogelijk overeenstemming over kon worden bereikt. Abortus, de doodstraf, het klachtrecht, de rechten van minderheden, de vrijheid van drukpers, om maar een paar zaken te noemen die niet in de Universele Verklaring zijn opgenomen: ze waren allemaal uitvoerig aan de orde geweest, maar ten slotte omwille van de consensus weggelaten.

Slotstemming
In haar autobiografie schreef Eleanor Roosevelt over de laatste onderhandelingen rond de Universele Verklaring: ‘Bij de slotstemming van het comité dat het ontwerp van de verklaring naar de Algemene Vergadering moest brengen, onthielden de vertegenwoordigers van vier moslimlanden zich van stemming; ze legden uit dat ze geloofden dat het artikel over vrijheid van godsdienst in strijd was met de Koran.

We raadpleegden de minister van Buitenlandse Zaken van Pakistan, de grootste moslimnatie. Hij zei: “Naar mijn mening heeft onze Pakistaanse vertegenwoordiger de Koran verkeerd geïnterpreteerd. Ik lees in de Koran dat ‘hij die kan geloven zal geloven, hij die niet kan geloven niet zal geloven; de enige onvergeeflijke zonde is hypocriet te zijn’. Ik zal stemmen voor de Universele Verklaring.”

Uiteindelijk werd er in de Algemene Vergadering van de VN geen stem uitgebracht tégen de Universele Verklaring, maar er waren een paar teleurstellende onthoudingen. De Sovjetunie en haar satellietstaten onthielden zich, omdat de Russische delegatie ons voorhield dat de verklaring de nadruk legde op ‘achttiende-eeuwse rechten’ en niet voldoende op economische, sociale en culturele rechten.

De gedelegeerde van Saoedi-Arabië onthield zich, zeggende dat hij er heel zeker van was dat de koning niet zou instemmen met de interpretatie van de Koran. Zuid-Afrika onthield zich tot mijn verdriet ook; haar vertegenwoordiger zei dat de regering de bevolking basismensenrechten hoopte te geven, maar dat de verklaring te ver ging.’

Discussie over ‘universaliteit’
Het grensoverschrijdende, ‘universele’ karakter van de mensenrechten wordt vaak aangevochten door regeringen. Zij beweren dat de plaatselijke cultuur en traditie voorrang dienen te krijgen. Zo voeren bijvoorbeeld regeringen in Azië als argument aan dat de internationale mensenrechtennormen voornamelijk zijn gebaseerd op westerse ideeën. Die zouden onverenigbaar zijn met Aziatische samenlevingen, omdat zij individuele rechten centraal stellen. Deze regeringen wijzen op misdaad, sociale problemen en het uiteenvallen van gezins- en gemeenschapsstructuren als symptomen van ‘buitensporig individualisme in westerse samenlevingen’.

Het universele karakter van de mensenrechten is geen mythe. Het verzet van bepaalde regeringen tegen de mensenrechten is in het algemeen een poging om te verdoezelen dat ze hun burgers geenszins een fatsoenlijk bestaan kunnen garanderen, en dat ze het verzet dat daardoor rijst de kop in drukken. Deze regeringen scheppen hun eigen mythe: schendingen van mensenrechten, zoals de onderdrukking van vrije meningsuiting, zouden zijn te rechtvaardigen uit naam van sociale en economische ontwikkeling.

Als we ons eerst maar op economische groei concentreren, zeggen deze regeringen, dan zullen de andere rechten als vanzelf volgen. Deze regeringen willen niet dat andere landen of de ‘wereldgemeenschap’ hun voorschrijven hoe ze economische groei en ontwikkeling moeten bevorderen, en ook niet hoe ze de mensenrechten zouden moeten naleven.

Economische groei is echter lang niet altijd gelijk aan echte menselijke ontwikkeling. Niemand zal ontkennen dat economische ontwikkeling belangrijk is. Honger is een slechte basis om te ijveren voor vrijheid van meningsuiting. Maar het omgekeerde is niet minder waar: als er geen politieke vrijheid is, wordt het mensen heel moeilijk gemaakt hun economische en maatschappelijke belangen te verdedigen. Als er geen vrijheid van informatie en meningsuiting bestaat, zal zelfs het feit van een hongersnood de buitenwereld vaak niet bereiken. Daarom zijn mensenrechten ondeelbaar.