artikel

Creuses

Horeca

Wilde (platte) oesters groeien op een stevige ondergrond. Zij waren vroeger algemeen in de Nederlandse kustwateren en getijdengebieden. Door de oestercultuur zijn er echter ziekten opgetreden, waardoor wilde oesters nu zeldzaam zijn. De oesterschelpen die op het strand liggen zijn oud of afkomstig van gekweekte oesters. De gewone platte oester is vrij regelmatig van vorm […]

Wilde (platte) oesters groeien op een stevige ondergrond. Zij waren vroeger algemeen in de Nederlandse kustwateren en getijdengebieden. Door de oestercultuur zijn er echter ziekten opgetreden, waardoor wilde oesters nu zeldzaam zijn. De oesterschelpen die op het strand liggen zijn oud of afkomstig van gekweekte oesters. De gewone platte oester is vrij regelmatig van vorm en wordt zelden langer dan 10 cm, de Japanse en Portugese oesters (creuzes) zijn onregelmatiger van vorm en worden groter.

Oesters zijn tweeslachtig, maar kunnen zichzelf niet bevruchten. Bevruchte eicellen ontwikkelen zich bij de “moeder-oester” tot larve en worden daarna afgestoten. De larven hechten zich aan een vast oppervlak (bijvoorbeeld een mosselschelp), waarna ze zich in 3 tot 5 jaar tot een nieuwe oester ontwikkelen.

Elk jaar inventariseert het RIVO de toestand van de wilde oesterbanken in de Grevelingen. Tot en met 1995 was er altijd sprake van een grote sterfte als gevolg van de ziekte die veroorzaakt wordt door de eencellige parasiet Bonamia ostreae. Deze ziekte stak in het begin van de jaren ’80 de kop op in de oesterbestanden in de Oosterschelde en vernietigde later ook de meeste oesters in de Grevelingen. De ziekte werd waarschijnlijk mee-geïmporteerd met oesters uit Bretagne, die op hun beurt weer besmet waren geraakt door importen uit Californië. In 1996 en 1997 bleek de sterfte als gevolg van Bonamia ostrea echter aanzienlijk minder dan in de jaren daarvoor. Wel brak er in mei 1996 een andere ziekte uit, waardoor nog meer oesters verloren gingen. Dit keer was een bloei van de gifalg Hexabita de waarschijnlijke oorzaak.

In 1998 bleek de ziekte als gevolg van Bonamia ostrea weer 3,5 keer zo vaak voor te komen als in 1997. Het RIVO vermoedt dat er een verband bestaat tussen de watertemperatuur en het voorkomen van het virus. Zachte winters lijken gevolgd te worden door een jaar met veel ziekte. Oplossingen voor de ziekte heeft het RIVO nog niet.

Japanse versus platte oesters
In de Grevelingen is de Japanse oester sterk in opmars. Deze Japanse oester wordt sinds 1965 op vrij grote schaal geteeld in de Oosterschelde, maar was lange tijd niet doorgedrongen tot in de Grevelingen. In de Grevelingen vormt de opmars van de ‘creuses’ (zoals de Zeeuwen de Japanse oester noemen) een bedreiging voor de teelt van de Zeeuwse platte oester. Beide oestersoorten leven van hetzelfde plankton, maar de Japanse kan zich aanzienlijk sneller vestigen en de ‘platte’ verdrijven. In de handel staat de Japanse oester bekend onder de naam ‘creuse’. De ‘fines de claires’ is een bijzondere variëteit die langs de Franse Atlantische kust wordt gekweekt.

Volgens het Centrum voor Schelpdier Onderzoek in Yerseke gebruiken de Japanse oesters in 2000 al 12% van het areaal voor schelpdieren in de Oosterschelde. Verwacht wordt dat dit percentage nog flink zal stijgen. Naast platte oesters worden ook kokkels verdrongen door de Japanse oester. De Japanse oester concurreert niet alleen om de beschikbare plek, maar eet ook nog eens het voedsel -en zelfs de larven- van mossels en kokkels op. Het aantal kokkels in de Oosterschelde is in 1999 met 70% afgenomen, aldus het CSO.

Ook in de Waddenzee is de Japanse oester aan een opmars bezig Voor 1940 kwam de platte oester hier in grote aantallen voor, maar deze oesters zijn allemaal verdwenen als gevolg van ziektes. De creuse heeft zich nu gevestigd. In de westelijke Waddenzee (Mokbaai bij Texel, wad onder Vlieland) wordt deze soort al sinds 1983 aangetroffen, en sinds de zomer van 1998 zijn er ook waarnemingen uit het oostelijke waddengebied. Eind 1999 kwam de Japanse oester in de hele Nederlandse Waddenzee voor, van Texel tot en met de Eemshaven.

In het Duitse gedeelte van de Waddenzee vormt de Japanse oester al wat langer een bedreiging voor de teelt van andere schelpdieren. Met name mosselbanken lopen gevaar. In april 1991 werd een jonge Japanse oester op een mosselbank bij Sylt gevonden. Twee jaar later kwamen op verschillende mosselbanken grote Japanse oesters voor. Sindsdien stijgen het aantal en de dichtheid waarin de oesters gevonden worden jaarlijks. Momenteel zijn de Japanse oesters al tot zo’n 50 kilometer gekomen vanaf de plaats waar de dieren het eerst op Sylt werden waargenomen.

Hoe de oestersoort op Sylt heeft kunnen komen is nog niet duidelijk. Men vermoedt dat de Japanse oesters in Duitsland oorspronkelijk afkomstig zijn uit de Oosterschelde. Drijvende larven kunnen grote afstanden afleggen. Ze kunnen echter nooit de afstand tussen Oosterschelde en Sylt in één stap hebben overbrugd. De larvefase van een oester duurt namelijk ongeveer 30 dagen, en Noordzeewater doet er minimaal 200 dagen over om van de Oosterschelde naar Sylt te stromen. De soort zou zich dus met behulp van ‘tussenstations’ moeten hebben verplaatst. Tussen Sylt en Terschelling was echter begin jaren negentig van de vorige eeuw geen enkele plaats bekend waar Japanse oesters voorkomen.

Op Sylt worden op één plaats Japanse oesters gekweekt. Omdat de verspreiding van de oesters in het gebied tegen de heersende zeestroming in gaat, kan deze kwekerij in ieder geval niet de bron van alle Japanse oesters zijn. Ook transport van oesterzaad door vogels of door mosselvissers lijkt uitgesloten.

Aan de oostkust van Texel, en op andere plaatsen in de Waddenzee, bevinden zich in 1999 een aantal lokaties waar Japanse oesters in grote aantallen gevonden kunnen worden. Er zijn plannen om deze te gaan exploiteren. Barrières voor de exploitatie worden gevormd door de Natuurbeschermingswet, gemeentelijke verordeningen en de Vogel- en Habitatrichtlijn, die niet voorzien in nieuwe vormen van visserij in dit gebied.