artikel

Commotie in schnabbelland

Horeca

Koud uit Noord-Spanje terug blader ik door de kranten en tijdschriften die keurig op de leestafel zijn opgestapeld. Altijd een fijn moment. Ik val van mijn stoel als ik lees over de commotie die in de media is ontstaan. Inderdaad, die van de ‘bijklussende’, ‘schnabbelende’ journalisten.

Commotie in schnabbelland

Ik heb alle berichten en follow-ups gelezen. Tenminste die van NRC Handelsblad, de nieuwe HP de Tijd, Vrij Nederland van gisteren en NOVA van gisteravond. Vanavond zal NRC wel weer een follow up hebben en zal ook Elsevier wel met een beschouwing komen.

Ik ben journalist én hoofdredacteur van een vakblad dat over deze industrie bericht. Wat ik er van vind? Afgezien van de – ineens – sterk overdreven media-aandacht (alsof dit opzienbarend nieuws is, iedereen weet dit toch?) en van het onterecht opblazen van de morele houding van de journalist (alsof hij voortaan als messias door het leven moet gaan), afgezien van de mijnsinziens onterechte maar lekker stoere en bekkende kwalificaties (bijklussende en schnabbelende en babbelende collega´s) en afgezien van het vervelende effect dat een serieuze branche als de congres- en eventindustrie in de serieuze media wordt weggezet als ‘schnabbelcircuit voor journalisten’ lijkt het me gezond dat de journalist – met – nevenactiviteiten in het vervolg met zijn hoofdredacteur bepaalt wat wel en niet kan. De hoofdredacteur heeft de verantwoordelijkheid om te waken over de geloofwaardigheid van zijn product en daarmee zijn mensen.

Als het gaat om onafhankelijkheid van journalisten (mocht die bestaan) dan weten deze journalisten zelf heel goed hoe ver ze kunnen gaan, binnen welke grenzen ze moeten blijven willen ze geloofwaardig zijn. Een journalist heeft doorgaans een vreselijke hekel aan inperking van zijn persvrijheid. Is daar terecht allergisch voor. Hij voelt zelf goed aan wat wel en niet kan. Waarmee hij wel en waarmee hij niet kan leven.

Eenmalige optredens als interviewer, dagvoorzitter of discussieleider (daar is ook een gradatie van geloofwaardigheid in aan te brengen) lijkt me geen problemen geven, langlopende contracten met overheidsinstanties wordt wel discutabel, mediatrainingen geven aan personen die je even later met een andere pet op kritisch gaat ondervragen lijkt mij ongeloofwaardig (hoewel dat ook niet hoeft), maar het is me té gemakkelijk om alles op één hoop de gooien: die van ‘de geloofwaardigheid van de media’ die dan in het geding is.

Vingertjes van boven, van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) en van het genootschap van hoofdredacteuren die dit werk afkeurt en wil verbieden (hoe, ik heb geen idee) geven wel veel duidelijkheid, maar brengen ons terug naar de truttigheid en betutteling van de jaren vijftig. Ik zie ze nu al in hun handen wrijven, Jan Peter en Piet Hein. Het lijkt me beter om het niet centraal te regelen en te verbieden, maar hou het klein, één op één. Schnabbelen? Daar komen we samen wel uit.

(wordt vast vervolgd)

Henk-Jan Winkeldermaat
(die officieel nog vakantie viert, maar het niet kon laten hier wat over te zeggen.)