artikel

‘Die gasten verzonnen steeds weer wat nieuws om de sfeer te verzieken

Horeca

Op 26 mei 2000 viel voor Nicolaas ‘Bud’ Huiberts het doek over cafetaria Eype in de Amsterdamse wijk Slotermeer. Hij was verlost van jarenlange treiterijen die zowel zijn zaak als zijn persoonlijk leven teisterden. Maar de machteloze woede sluimerde voort. Nu, bijna een jaar later, wil Huiberts zijn verhaal kwijt. Een schrijnende aaneenschakeling van verpaupering, intimidatie, pesterijen en criminaliteit.

‘Die gasten verzonnen steeds weer wat nieuws om de sfeer te verzieken

‘Ik hield het niet vol. Ik was nooit meer ontspannen en draaide steeds minder omzet. De rust was uit mijn hoofd, ik moest altijd alert zijn. Eigenlijk was ik gewoon opgelucht toen ik er mee stopte. Er viel een blok van mijn been. Mijn hersenen konden op neutraal worden gezet’. Bud Huiberts had zijn sporen in de horeca al ruimschoots verdiend, toen hij dertien jaar geleden Eype Snacks aan de hoofdstedelijke Burgemeester De Vlugtlaan overnam.

Reeds in 1970 begon hij als 24-jarige bakkerszoon zijn eerste snackbar: Buddy Grillbar. ‘Ook in Slotermeer’, vertelt hij. ‘Het was een jonge, frisse buurt met veel tieners, waar ik zelf al vanaf mijn negende had gewoond. Ik draaide er wereldomzetten en was één van de eerste die in een cafetaria broodjes shoarma maakte. De groei in de wijk raakte er echter uit. De omzet stagneerde en in 1985 kon ik de zaak te verkopen aan een medewerker die er nog wel heil in zag. Vorig jaar heeft ook hij Buddy Grillbar van de hand gedaan. De intimidaties door groepen jongeren waren hem teveel geworden.’

Zuiplappen
Nadat Huiberts elders met wisselend succes een Mexicaans eetcafé en een cafetaria had gerund, besloot hij in 1988 terug te keren naar Slotermeer. Hij kocht Eype Snacks, een ‘snackachtig gebeuren’, in 1952 begonnen als delicatessenwinkel. ‘Eype was in de wijk een begrip en ik besloot de naam aan te houden. Het was een gezellig zaakje dat echter niet uitblonk door apparatuur en outillage. Ik schafte dan ook een compleet nieuwe inventaris aan. Maar daarmee was ik er niet.’

‘De cafetaria was net heropend toen ik een groep alcoholisten aan de toonbank trof. Als spreeuwen op een rijtje, alleen om te zuipen. De sfeer bleek om te snijden. Ik vroeg voor een pijpje bier twee gulden. Daar waren ze het niet mee eens, want de voormalige eigenaar vroeg één vijftig. Ik was in hun ogen dus een oplichter. Dan ga je maar naar de super om de hoek, zei ik. Zet je het thuis toch lekker goedkoop op een drinken? Omdat ik in de zaak inmiddels wat aanpassingen had verricht die het verblijf voor de zuiplappen minder aantrekkelijk maakte, deden ze dat nog ook. Ik raakte ze mooi kwijt!’

Likijsje
Maar ook anderszins sloeg de verpaupering in Slotermeer toe. Eype Snacks fungeerde steeds meer als ontmoetingsplek voor met name allochtone wijkbewoners in de leeftijd van 12 tot 18 jaar. Bud Huiberts: ‘De zaak kreeg een soort wijkfunctie, maar omzet ho maar. Kijk, een cafetaria is er voor iedereen, mits de klant maar wat bestelt. Dat begrepen ze dus niet. Of beter: ze wílden dat niet begrijpen.’

‘Dan kwamen hier vijf jongens binnen die om een likijsje van een gulden of een pakje kauwgom vroegen. Vervolgens bleven ze twee uur zitten. Ze hadden toch wat besteld? Of ze kochten een colaatje en gristen dan een handvol rietjes van de toonbank. Mosterdzakjes, servetjes, niets was meer veilig. Je doet telkens aanpassingen, bergt alles veilig op, maar die gasten verzonnen steeds weer wat nieuws om de sfeer te verzieken.’

Het ging van kwaad tot erger. Koffiemelkcups die in de frituurmand werden gemikt, toiletpapier dat in brand vloog. Goedwillende klanten bleven meer en meer weg. De jongeren werden steeds brutaler. ‘Privé bleef ik evenmin gespaard’, zegt de boven de zaak wonende ondernemer. ‘Ik heb uitgerekend dat ik sinds 1993 dertig nieuwe banden onder mijn auto heb moeten zetten. En iedere ochtend vroeg ik me weer af of er niet een nieuwe deuk in was geslagen en of de ruiten nog heel waren.’

‘De vernielingen gebeurden meestal uit wraak omdat ik ze de zaak had uitgezet of de politie had gewaarschuwd als ze het weer eens al te bont maakten. Die kwam dan en vroeg om namen. ‘Dat heb ik niet gedaan’, luidde altijd de reactie. Binnen een groep is niets te bewijzen. Wanneer de politie het toch voor elkaar kreeg een van die gasten z’n naam te krijgen, kon ik op mijn klompen aanvoelen dat de volgende dag aan mijn auto was geprutst. Ze kondigden het zelfs aan. ‘Jou pakken we wel’, zeiden ze dan. En opnieuw kon de politie niets bewijzen. Er was gewoon sprake van een vicieuze cirkel.’

Onder de tafel
De cafetaria kampte met pure intimidatie, ook richting personeel. ‘Bestelden ze bijvoorbeeld een ijsje van twee gulden. Maar dat moest dan wel in een bakje van zeven piek. En vol, want anders… Mijn medewerkers werden daar op den duur murw van en liepen achter elkaar weg. Het werd steeds moeilijker om aan personeel te komen. In deze buurt krijg je vooral werknemers van buitenlandse komaf over de vloer.’

‘Daar zaten echt wel goede tussen, mensen die het schorem aankonden. Maar dan maakten ze zelf weer problemen. Of ik ze maar onder de tafel wilde uitbetalen, want anders raakten ze hun uitkering kwijt. Ik had mijn bedrijf netjes op orde, werkte volgens de officiële functie-indeling en weigerde zwart werk. Dat werd mij niet in dank afgenomen. Ik was in hun ogen een klootzak en kennelijk te eerlijk.’

Eype Snacks werd voor Bud Huiberts een hel op aarde. Nadat in een jaar tijd zo’n vijfentwintig keer was ingebroken (‘met oud en nieuw zelfs twee keer’), besloot hij rolluiken te plaatsen. ‘Maar die werden gewoon losgewrikt. Op een gegeven moment had ik de luiken zodanig laten verankeren dat zelfs de brandweer niet meer naar binnen kon.’ De agressie en intimidaties hielden echter niet op. Maar aan het incasseringsvermogen van Bud Huiberts kwam ten langen leste een eind.

Begin vorig jaar besloot hij zijn cafetaria te verkopen. Er gloorde een nieuwe start in een winkelcentrum in Amsterdam-Osdorp. Hij schreef zich in voor een pand, maar de gemeente gunde het aan een allochtone onderneemster. ‘Met het oog op een stuk integratie was het beter dat zij daar kwam en ik hier bleef’, zegt Huiberts bitter. ‘Dat ik de zaak al van de hand had gedaan, interesseerde de gemeente niet. Ik moet nu verder. Met een sobere levensstijl red ik het voorlopig. Wellicht kan ik elders in het land een cafetaria beginnen. Er ligt momenteel een optie. Ik hoop dat het lukt. Want ik ben en blijf een ondernemer.’