artikel

Drank- en horecavergunning

Horeca

De Drank- en Horecawet regelt, kort gezegd, dat een vergunning nodig is voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse in een horecabedrijf en voor het bedrijfsmatig anders dan om niet aan particulieren verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter plaatse.

Drank- en horecavergunning

Met andere woorden; op grond van de Drank- en Horecawet is een vergunning nodig voor het ondernemen van horeca-activiteiten en voor het exploiteren van een slijterij.

Naast de Drank- en Horecawet zijn er een aantal onderliggende besluiten en regelingen. In deze besluiten worden bijvoorbeeld eisen gesteld aan de ruimten waarin een horecabedrijf wordt uitgeoefend maar ook aan de leidinggevenden in een horecabedrijf.

Het Besluit inrichtingseisen Drank- en Horecawet stelt bijvoorbeeld eisen aan de plafondhoogte (minimaal 2,40 meter), de minimale oppervlakte van een horeca-inrichting (35 m²) en het aantal en de plaatsing van de toiletten.

Het Besluit eisen zedelijk gedrag verplicht de leidinggevenden van een horecabedrijf te voldoen aan een aantal eisen. Zo mag een leidinggevende bijvoorbeeld niet binnen de laatste vijf jaar wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld zijn tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en mag hij evenmin in een psychiatrisch ziekenhuis zijn geplaatst.

Het horecabedrijf

Artikel 3 van de Drank- en Horecawet bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf uit te oefenen. Een eerste vraag is dan wat op grond van de Drank- en Horecawet verstaan moet worden onder een horecabedrijf.

In artikel 1 van de Drank- en Horecawet wordt dit omschreven als ‘de activiteiten in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse’. Het moet dus gaan om óf een bedrijfsmatige activiteit óf het tegen betaling verstrekken van alcoholhoudende drank. Dus ook als het gaat om het verstrekken van alcohol tegen betaling is er een vergunning nodig, zelfs als dit niet direct te kwalificeren is als een bedrijfsmatige activiteit.

Overigens; wanneer er constructies worden bedacht waarbij consumptiebonnen of muntjes inbegrepen zijn bij de entree van een feest en op deze wijze wordt getracht het tegen betaling verstrekken van alcohol te omzeilen, kan reeds op voorhand worden geconcludeerd dat in de jurisprudentie is uitgemaakt dat hiermee toch wordt betaald voor de alcoholhoudende consumpties en een vergunning benodigd is.

Zou toch daadwerkelijk gratis alcohol worden verstrekt, dan wordt in strijd met artikel 25 van de Drank- en Horecawet gehandeld waarin het volgende is bepaald: “Het is degene die, anders dan in de rechtmatige uitoefening van het slijtersbedrijf of horecabedrijf, een ruimte voor het publiek geopend houdt, verboden in die ruimte alcoholhoudende drank aanwezig te hebben, tenzij dit geschiedt ten dienste van het rechtmatig in die ruimte bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwakalcoholhoudende drank voor gebruik elders dan ter plaatse…”

Twee soorten vergunningen voor horecabedrijven

Op grond van de Drank- en Horecawet kan een vergunning worden verleend voor een commercieel horecabedrijf zijnde de reguliere horecabedrijven zoals cafés, restaurants, hotels en dergelijke. Deze vergunningen worden op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet verstrekt. In een dergelijk horecabedrijf mogen zowel zwak alcoholhoudende dranken als sterke dranken worden verkocht. Er mogen echter geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt om elders te nuttigen dan ter plaatse. Alle verstrekte alcoholhoudende dranken dienen genuttigd te worden in een horecalokaliteit die op de vergunning aanwezig is of op een terras dat op de vergunning staat vermeld.

Op grond van artikel 4 van Drank- en Horecawet is het tevens mogelijk om voor zogenaamde paracommerciële instellingen een vergunning af te geven. Het gaat dan om instellingen die slechts als nevenactiviteit alcoholhoudende dranken verstrekken en een hoofdfunctie hebben op een geheel ander vlak. Het kan dan gaan om instellingen met een recreatieve, educatieve of sportieve functie zoals voetbalclubs, culturele instellingen en vergelijkbare instanties. Het is voor een gemeente mogelijk om door middel van voorschriften in dergelijke vergunningen het verstrekken van alcoholhoudende dranken te beperken tot de zwak alcoholhoudende varianten als een paracommerciële instelling veelvuldig gefrequenteerd wordt door jeugdige bezoekers.

Daarnaast kunnen aan dergelijke drank- en horecavergunningen voor paracommerciële instellingen voorwaarden worden verbonden met betrekking tot het maken van reclame en het houden van besloten partijen.

Inrichtingseisen

Een drank- en horecavergunning wordt altijd verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf in een inrichting. Een drank- en horecavergunning kan dus, met andere woorden, niet verleend worden aan – bijvoorbeeld – ondernemers die drank verstrekken met een reizend bedrijf zoals kermisexploitanten of uitbaters van een oliebollenkraam.

Opvallend genoeg geldt het vereiste van een vergunning niet voor vervoermiddelen die bestemd zijn voor het vervoer van personen, tijdens het gebruik van een vervoermiddel als zodanig. Met andere woorden; wanneer een boot, trein of vliegtuig als zodanig in gebruik is (en dus met passagiers onderweg is) kan er zonder drank- en horecavergunning worden geschonken.

Een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend dient aan een aantal inrichtingseisen te voldoen. Allereerst dient de inrichting, zoals alle bouwwerken in Nederland, te voldoen aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003. Voorts dient een inrichting een oppervlakte van minimaal 35 m² te hebben, een hoogte van ten minste 2,40 meter vanaf de vloer, dient de horecalokaliteit voorzien te zijn van een rechtstreeks met de buitenlucht in verbinding staande, goed werkende, mechanische ventilatie met een bepaalde vastgestelde luchtverversingscapaciteit, dient in de horecalokaliteit elektriciteit, voorziening voor drinkwater en een telefoon aanwezig te zijn, moeten in (de onmiddellijke nabijheid van) de horecalokaliteit ten minste twee van elkaar gescheiden toiletgelegenheden aanwezig zijn, moet elke toiletgelegenheid voorzien zijn van één of meer toiletruimten en één of meer voorzieningen om de handen met stromend, deugdelijk drinkwater te kunnen wasser en moeten de toiletten voorzien zijn van een waterspoeling en mogen de toiletten niet rechtstreeks toegankelijk zijn vanuit de horecalokaliteit.

Vanzelfsprekend kunnen sommige van deze voorschriften, met name waar het gaat om de aanwezige toiletten, nog wel eens vragen oproepen. Wanneer is bijvoorbeeld sprake van toiletten die niet rechtstreeks toegankelijk zijn vanuit de horecalokaliteit. Zijn dat alleen toiletten waarbij nog een ‘sluis’ aanwezig is tussen de daadwerkelijke toiletruimte en de horecalokaliteit of kan aan dit voorschrift ook worden voldaan indien de toiletten in een gang zijn gevestigd? Ook kunnen zich problemen voordoen rondom het meten van de minimale hoogte. Als bijvoorbeeld een plafond gekenmerkt wordt door zeer vele balken welke geen minimale afstand tot de vloer hebben van 2,40 meter, dan kan je je afvragen hoe je dient te meten.

Dit soort vragen zijn des te klemmender nu op dit moment het niet langer mogelijk is ontheffing van de inrichtingseisen te verlenen, waar dat in vroegere edities van de Drank- en Horecawet nog wel tot de mogelijkheden behoorde. Wellicht keert de mogelijkheid van het verlenen van ontheffing overigens weer terug in een nieuwe versie van de Drank- en Horecawet, waaraan thans door de Minister gewerkt wordt.

Tapontheffing

Een uitzondering op het uitgangspunt dat een horecabedrijf alleen kan worden uitgeoefend in een inrichting wordt gevormd door de ontheffing op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet waardoor bij evenementen ontheffing van het verbod van de Drank- en Horecawet verleend kan worden voor het verstrekken van zwak alcoholhoudende dranken.

Het moet daarbij gaan om bijzondere gelegenheden van zeer incidentele aard, zoals een straatfestival, Koninginnedag of een lokale feestweek.

De leidinggevende die achter de tap staat moet in het bezit zijn van een SVH-verklaring, de aanvrager hoeft dat formeel niet te zijn.

Let er wel op dat deze ontheffing alleen geldt voor zwakalcoholhoudende dranken en niet voor sterke drank. Als de ontheffing wordt verleend ten behoeve van een punt gelegen aangrenzend aan een bestaand terras kan dit dus tot de merkwaardige situatie leiden dat op het ene deel van het terras wel sterke drank verstrekt mag worden en op het andere deel niet.

Leidinggevenden

Als er alcoholhoudende dranken worden verstrekt in een inrichting, dient altijd een leidinggevende aanwezig te zijn.

Artikel 8 van de Drank- en Horecawet stelt eisen aan de leidinggevenden welke op de drank- en horecavergunning worden vermeld. De leidinggevenden mogen niet uit de ouderlijke macht of de voogdij zijn ontzet, mogen niet onder curatele staan, mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn en moeten voldoen aan de eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag zoals gesteld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999. Bovendien dient de leidinggevende de leeftijd van 21 jaar te hebben bereikt en dient hij/zij te beschikken over een Verklaring Sociale Hygiëne.

Met name de eis van het niet mogen zijn van slecht levensgedrag roept vele vragen en verschillen van mening op. Of voldaan wordt aan deze eis valt uiteen in enerzijds het niet zijn van slecht levensgedrag en anderzijds het voldoen aan de eisen ten aanzien van zedelijk gedrag zoals gesteld in het besluit. Gemeenten mogen echter ook andere overtredingen en misdrijven die in het besluit zijn genoemd ten grondslag leggen aan de beoordeling van slecht levensgedrag. Het gaat hierbij nadrukkelijk om twee toetsingsgronden. Uiteraard dient de gemeente dan wel goed te motiveren waarom andere dan de overtredingen en misdrijven als genoemd in het besluit haar aanleiding geven om te veronderstellen dat de leidinggevende van slecht levensgedrag is.

Bij de beoordeling of er sprake is van afwijking van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet mag slecht een periode van vijf jaar voorafgaande aan de datum van de beslissing om een aanvraag drank- en horecavergunning worden meegewogen.

Overige weigeringsgronden

De Drank- en Horecawet-vergunning is een zogenaamde ‘gebonden beschikking’. Dat betekent dat de vergunning verleend moet worden als er zich geen strijd voordoet met een van de weigeringsgronden in de wet en geweigerd moet worden als één van die weigeringsgronden zich wel voordoet. De gemeente kan hier niet een zelfstandige belangenafweging in verrichten.

Zo zal bijvoorbeeld een Drank- en Horecawet-vergunning verleend moeten worden ook al is de exploitatie van een horecabedrijf in strijd met het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is namelijk geen weigeringsgrond zoals opgenomen in de Drank- en Horecawet, ook al betekent een horeca-exploitatie in strijd met het bestemmingsplan feitelijk dat niet geëxploiteerd mag worden. De wetgever is voornemens om dit in de nieuwe Drank- en Horecawet aan te passen.

De hierboven besproken weigeringsgronden zijn verreweg de belangrijkste weigeringsgronden voor een drank- en horecavergunning, maar in de wet zijn ook nog andere weigeringsgronden opgenomen. Daarbij kan gedacht worden aan de situatie waarin redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn, het zogeheten schijnbeheer, of de situatie waarin het verlenen van de drank- en horecavergunning in strijd zou komen met de openbare orde.

Geldigheidsduur

De drank- en horecavergunning is niet gebonden aan een geldigheidstermijn. De vergunning blijft geldig totdat er een nieuwe of gewijzigde vergunning wordt verstrekt, de vergunning vervalt of wordt ingetrokken.

Een vergunning kan bijvoorbeeld worden ingetrokken op het moment dat de inrichting niet meer overeenstemt met de omschrijving in de vergunning. Dit kan zich voordoen indien de op de vergunning aangegeven lokaliteiten er anders zijn komen uit te zien door een verbouwing of wijziging.

Ook kan de exploitant wijzigen omdat de onderneming wordt overgedaan aan een andere natuurlijke of rechtspersoon. Ook dan dient er een nieuwe drank- en horecavergunning te komen. Ook veranderingen in de bedrijfsuitoefening tot welke de vergunning strekt kunnen aanleiding zijn voor een nieuwe vergunning.

Verandert er echter niets aan het horecabedrijf in vergelijking met de situatie waarvoor de vergunning is verleend, dan blijft de vergunning in beginsel gewoon geldig.

Tips

1.Zonder drank- en horecavergunning mag geen horecabedrijf worden uitgeoefend. Nu al vrij snel sprake kan zijn van een horecabedrijf, dient men altijd goed te bezien of een drank- en horecavergunning vereist is. Ook als bijvoorbeeld sprake is van het meer dan incidenteel verhuren van een ruimte voor feestjes waarbij alcohol wordt geschonken, kan een drank- en horecavergunning al benodigd zijn. Dit kan met name een rol spelen bij situaties waarin gebouwen/zalen met een ander hoofddoel incidenteel worden gebruikt voor diners of recepties, bijvoorbeeld bij musea en dergelijke.

2.Als eenmaal een drank- en horecavergunning is verleend dient men ervoor te waken dat de feitelijke situatie in overeenstemming is en blijft met deze vergunning. Wordt er bijvoorbeeld verbouwd of wijzigt er iets in de samenstelling van de leidinggevenden en/of de uitbater, dan dient een nieuwe vergunning te worden aangevraagd. Let op: dit kan dus ook het geval zijn bij het creëren van een rookruimte in de horeca-inrichting omdat dit kan betekenen dat er feitelijk een nieuwe lokaliteit bijkomt.

3.Ook een terras dient op de drank- en horecavergunning vermeld te staan, anders mag er geen alcoholhoudende drank op worden genuttigd of verstrekt.

4.Verbouwingen van een horeca-inrichting waarbij er geen lokaliteit met een minimumoppervlakte van 35 m² overblijft zorgen ervoor dat een drank- en horecavergunning ingetrokken dient te worden danwel niet verleend kan worden. Wees dus ook in dat opzicht voorzichtig met verbouwingen.

5.Gedurende openingstijden van een alcoholverstrekkende horeca-inrichting dient altijd een leidinggevende aanwezig te zijn. Let er op dat ook gekeken wordt of het aantal leidinggevenden ten opzichte van het aantal openingsuren van een inrichting wel kloppend is. Bijvoorbeeld een horeca-inrichting met honderd openingsuren gedurende een week en maar één leidinggevende zal zeer zeker vraagtekens oproepen bij de gemeente en kan aanleiding geven tot het niet verstrekken van de drank- en horecavergunning.

6.Uiteraard dienen alle leidinggevenden te beschikken over een Verklaring Sociale Hygiëne. Let op; dit geldt dus ook voor de bestuurders bij een rechtspersoon zoals een B.V. Het is in sommige gevallen wel mogelijk om een onderverdeling te maken in het bestuur van een B.V. waardoor niet alle bestuurders over een Verklaring Sociale Hygiëne dienen te beschikken, maar dat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Relevante links

www.wetten.overheid.nl (zoek op trefwoord: drank)

Bron: www.meestermeester.nl