artikel

Generaties in het café

Horeca

Papa en mama-bedrijven worden ze wel genoemd. Man en vrouw, samen aan het roer van het horecabedrijf dat vaak al meerdere generaties in de familie zit. Familiebedrijven hebben de naam oubollig te zijn. ‘Als een nieuwe generatie het roer overneemt is de zaak vaak al tien jaar verouderd’, verklaart een jonge ondernemer dit beeld. Een collega zegt: ‘Wat er ook gebeurt, het familiebedrijf moet blijven bestaan.

Generaties in het café

Ze zijn er nog legio. Horecabedrijven waarvan de naam dezelfde is als de achternaam van de eigenaar. Dat is in het oosten van het land niet anders. Gevraagd naar de naam van hun bedrijf antwoorden Jan Kottink, Eduard Morshuis en Bertil Morskieft, achtereenvolgens: Café Kottink, Café Morshuis en Café Morskieft. Logisch toch! Waarom al die energie steken in een nieuwe naam als die van de familie al tientallen jaren een begrip is?
Eduard Morshuis is samen met echtgenote Olga Morshuis deze ochtend gastheer van De Stamtafel. Hun bedrijf is gevestigd in het Twentse Albergen.
Morshuis verklaart waarom het imago van de familiebedrijven bij veel buitenstaanders te wensen overlaat. ‘Als een nieuwe generatie het roer overneemt, is de zaak vaak al tien jaar verouderd. Het nieuwe bloed wil zich van zijn beste kant laten zien en gaat flink verbouwen.’ De jonge ondernemer weet waarover hij praat sinds hij in 1995 samen met Olga de zaak van zijn vader overnam. Vrijwel direct onderging het bedrijf een flinke verbouwing. Afgelopen najaar werd de voorlopig laatste uitbreiding gerealiseerd. De zalen kregen een compleet nieuwe entree, de parkeerplaatsen werden verbeterd en er kwam een nieuwe opslagloods bij.

Vol aan de bak
De aanwezige collega’s herkennen de bedrijfsmatige ommezwaai na een overname. Jan Kottink, samen met echtgenote Marga Kottink naar Albergen gekomen, vertelt op zijn 21e het familiebedrijf in Geesteren overgenomen te hebben. ‘Het bedrijf was toen al een paar jaar verhuurd in afwachting van het moment dat één van de kinderen het wilde overnemen. Het ging steeds verder achteruit omdat er niet meer in werd geïnvesteerd. In goed overleg met mijn broers en zussen ben ik er ingestapt. Meteen vol aan de bak met een flinke verbouwing. Vanaf 1992 zitten we samen in het bedrijf.’
Bertil Morskieft is de vierde generatie die de scepter zwaait over café en speeltuin Morskieft in Reutum waarvan vooral de bijbehorende speeltuin ’s zomers veel bezoekers trekt. ‘We zitten er aan te denken om de speeltuin te overkappen’, doet Morskieft de toekomstplannen uit de doeken. ‘Dat is toch zo bij een familiebedrijf. Als je investeert, doe je dat liever bij je eigen bedrijf dan dat je een ander bedrijf koopt. Dat is ook een beetje het standpunt: wat er ook gebeurt, het moederbedrijf moet blijven bestaan.’

Taakverdeling
Bij de drie mannelijke horecaondernemers aan tafel was het de vrouw die na verloop van tijd in het bedrijf van ‘zijn’ familie is komen werken. Dat valt niet altijd mee. ‘Ik kom uit Arnhem’, vertelt Marga Kottink, ‘En dan ben je hier in het oosten al snel een verwende stadse. Zeker in de eerste periode werd ik door de gasten gedoogd. Meer ook niet.’ Op de vraag of het vanzelfsprekend was dat zij in het bedrijf van Jan zou komen werken zegt ze: ‘We hebben samen de hotelschool gedaan en daar gingen we al met elkaar. Hij heeft destijds al gezegd het bedrijf van zijn ouders over te willen nemen. Als ik dat niet wilde, dan kon ik beter gaan. Zo heeft hij het echt gesteld. Ik wilde én in de zaak komen werken én met Jan verder. Bovendien vond ik het keukengedeelte leuk om te doen. Dat ligt hem weer minder. Zo paste het precies.’
Hoewel Olga Morshuis en Germa Morskieft wel uit de omgeving komen (Bertil Morskieft is Olga’s broer), opereren ook zij meer achter dan voor de schermen. ‘Ik sta ook in de keuken en Bertil is er vooral voor het dagjesvolk dat naar de speeltuin komt. Verder is de taakverdeling bij ons niet al te strak. We moeten altijd voor elkaar in kunnen springen’, zegt Germa Morskieft. Olga voegt daar aan toe: ‘Ik ben de vliegende keep. Ik sta daarom niet alleen in de keuken, al is het wel zo dat Eduard het meest achter de bar staat. Iedere plaats moet vervangbaar zijn. Als wij er niet zijn, moet het bedrijf toch door kunnen gaan.’

Vertroebeling
De familieband vertroebelt af en toe de blik op een heldere bedrijfsvoering. ‘We zouden ons bedrijf veel meer moeten runnen als een bedrijf. Als nu één van ons wegvalt, dan hebben we een groot probleem. Een bedrijfsleider zou voor ons ideaal zijn. Ook voor het geval één van ons tweeën een been breekt of zoiets’, zegt Jan Kottink. Tegelijkertijd heeft hij zijn bedenkingen: ‘Ik weet nu al hoe het gaat. Dan is zo iemand aan het werk, terwijl er even niemand in de zaak is. Ik zou helemaal gek worden. In een familiebedrijf is de eigenaar toch het gezicht van de zaak. Als we twee weken op vakantie zijn dan is de omzet al lager.’
Het is een herkenbaar beeld. Ook voor Eduard Morshuis die het tijdens zijn opleiding op de Middelbare Hotelschool in Zwolle vast anders heeft geleerd. ‘Wij zijn gewoon niet goed in het delegeren van onze taken. Veel familiebedrijven zijn alleen maar rendabel door de grote hoeveelheid eigen uren die je er in stopt. Ik geloof ook niet dat een bedrijf als dit in de toekomst stand kan houden. Nu heb ik nog veel te veel zin om het zelf te doen, maar hoe is het als je een paar jaar ouder bent?’

Investeringsgedrag
De energie die de eigenaren in het eigen bedrijf steken, kenmerkt ook het investeringsgedrag van de aanwezige horecakoppels. ‘Wij willen onze speeltuin overdekken, zodat we in de winter meer gasten trekken. Wat het aan extra omzet oplevert, kan ik nu nog niet bekijken. Ondanks een afwijzing van bank gaan we er toch maar mee beginnen’, zegt Bertil Morskieft. Echtgenote Germa vult aan: ‘Je stopt door het jaar heen best veel geld in je bedrijf. Omdat het zo geleidelijk gaat, heb je niet echt in de gaten hoeveel het is.’ Eduard Morshuis begint te lachen: ‘Toen we de zaak net hadden overgenomen, zijn we gewoon begonnen met bouwen. Met de rekening zijn we naar de bank gestapt. Wat moeten we hier mee?, vroegen ze daar. Nou, gewoon betalen, zei ik. Als je een zaak wilt opbouwen, moet je wel zo te werk gaan. Lef wordt altijd beloond.’‘
De horeca is toch het stiefkind van de banken’, vult Jan Kottink aan, die zijn eerste grote investering pas rondkreeg nadat zijn vader een onderpand op tafel legde. ‘Ik wilde er een zaal bij. Het plan werd op financiële gronden afgewezen. Van sommige investeringen kun je gewoon niet berekenen wat ze je op zullen leveren. Die moet je gewoon doen en kijken hoe het gaat. Bedrijven als de onze zijn ook niet zo marktgevoelig. Een disco die niet loopt heeft een probleem. Bij ons gaat het gewoon door. De mensen blijven toch trouwen, houden feesten en gaan dood.’

Kinderen
De noeste arbeid, vaak tot in de late uren, heeft ook invloed op de aandacht die de kinderen krijgen. ‘Dat is toch ook wel weer het voordeel van een familiebedrijf. Je kunt wel tijd maken als dat echt nodig is. In een gewoon gezin is de hele week volgepropt met afspraken en werk’, zegt Eduard Morshuis, samen met Olga in het bezit van een zoon. Ook Bertil Morskieft zegt genoeg tijd te hebben voor de vijf kinderen die hij en Germa hebben. ‘We wonen strak achter de zaak. Eén deurtje door en je bent bij ze.’
Marga Kottink is zelf afkomstig uit een ondernemersgezin. ‘Mijn moeder is 62 en werkt nog steeds zeven dagen in de week. Zij en mijn vader hebben dat altijd gedaan en als kind wen je daar aan. Ik heb daarom niet het idee dat ik te weinig tijd voor mijn eigen kinderen heb. Het is wel grappig. Ik ben er zelfs van overtuigd dat het moment van bevalling te beïnvloeden is. Een paar dagen nadat ik uitgerekend was hadden we een heel groot, voor de zaak belangrijk feest. Een paar uur na afloop, nadat de stoom van de ketel was, begonnen de weeën. ’s Nachts werd ons kind geboren.’ Veel tijd voor zwangerschapsverlof gunde ze zich vervolgens niet. ‘Na twee weken stond ik weer in de keuken.’

VOF of BV?
Vorig jaar zijn wij een BV geworden’, zegt Jan Kottink. ‘Dat zou fiscaaltechnisch beter zijn. Bel ik met de bank om het door te geven, heb ik even later de directeur aan de lijn. Zijn jullie een BV geworden? Dat moet ik weten want de aansprakelijkheid is in één klap een stuk minder als in een eenmanszaak het geval is. We zijn nu allebei in loondienst van de BV, al is Marga de enige die ook echt salaris krijgt uitbetaald. Het geld dat we voor onszelf kunnen besteden, halen we er nu uit en zetten dat apart.’ ‘We zijn bewust bezig met onze oudedagsvoorziening’, vult Marga aan. Eduard Morshuis zit samen met Olga in een vennootschap, waar ook Eduard’s ouders deel van uitmaken. ‘Van alle verbouwingen die vanaf 1995 zijn uitgevoerd, is de meerwaarde voor ons. Hierbij gaan we uit van de boekwaarde van het bedrijf zoals die destijds is vastgesteld. Zou Olga eruit stappen dan krijgt ze haar deel van die meerwaarde mee, zo hebben we afgesproken.’
De Morskieften hebben ook gekozen voor een VOF. Al maken hier drie personen deel van uit. Bertil’s vader – ‘ons moeder heeft nooit wat gehad’- Bertil zelf en Germa Morskieft. ‘Mocht jij wegvallen, en Germa heeft niet de energie om het in haar eentje voort te zetten?’, vraagt Marga Kottink aan Bertil Morskieft. Deze antwoordt: ‘Ik denk dat er dan net zo’n situatie komt als bij jullie destijds. Dan wordt het bedrijf in eerste instantie verhuurd. Tot één van de kinderen het over wil nemen.’