artikel

Hemelvaart en dauwtrappen

Horeca

Op Hemelvaartsdag vieren Christenen de hemelvaart van Jezus, veertig dagen na zijn opstanding uit het graf. Dauwtrappen is een eeuwenoud gebruik, waarvan de herkomst niet echt bekend is.

Hemelvaart en dauwtrappen

De dauw zou op bepaalde dagen magische en genezende krachten hebben. Het was gezond blootvoets te wandelen door het bedauwde gras. De dauw is een goed middel tegen zomersproeten en werkt uitstekend tegen huidzeer, werd gedacht. Het gebruik zou in de tijd van de Germanen zijn ontstaan en werd later in verband gebracht met de processie op Hemelvaartsmorgen die herinnert aan Jezus’ tocht naar de Olijfberg.

Roggebrood
In de negentiende eeuw schreef J. ter Gouw in zijn boek De Volksvermaken (1871) over het verdere verloop van Hemelvaartsdag na het vroege dauwtreden. Iedereen in Hengelo en Zelhem (Gelderland) bakt een roggebrood, dat minstens twee en twintig pond moet wegen maar ook zwaarder mag zijn. Na de middagkerktijd wandelt ieder met zijn brood onder de arm of op de schouder naar de molen van Hengelo, halverwege de twee dorpen, ‘waar een uitgestrekte gouden graanzee golft tusschen boschjes en landgoederen’. Burgemeester, dominees, pastoors en vele anderen komen hier. De schoolmeesters wegen het brood. Als het brood te licht wordt bevonden, betaalt de eigenaar voor elk pond onder de twee en twintig een boete van dertig cent. Degene die het zwaarste brood heeft geleverd krijgt een fles witte wijn cadeau. Daarna wordt de hele massa broden onder de armen verdeeld. En de burgemeesters krijgen ‘volgens oud regt’ het zwaarste brood, dat somtijds tweehonderd pond weegt, vermeldt Ter Gouw.