artikel

Italianen moesten wennen aan kroket

Horeca

Man, het is een prachtige tijd geweest.’ Dick Scheltus vertelt graag over zijn tijd in voormalig Joegoslavië waar hij Hollandse snacks aan voornamelijk Italiaanse soldaten verkocht. Een verhaal over (gekookte) bitterballen, mooie dames, vrolijke Nederlanders en veel oorlogsleed.

Italianen moesten wennen aan kroket

Het Protestants Militair Tehuis (PMT) tegenover de kazerne in het Limburgse Blerick bij Venlo heeft zijn beste tijd gehad. In juni gaat het tehuis dicht, ook de kazerne sluit. Dan zit ook het werk voor Dick Scheltus er op. Er komen nog maar weinig soldaten naar de bar met biljart en kleine keuken. ‘Het is hier afgelopen’, zegt Scheltus. ‘Door de afschaffing van de dienstplicht is er minder behoefte aan deze tehuizen. Bovendien is er op de kazerne tegenwoordig genoeg te beleven. Veel soldaten gaan tegenwoordig ook in het weekend naar huis.’

Eerst was Scheltus gestationeerd in een PMT in Schaarsbergen bij Arnhem. Voor de Europese zusterorganisatie Echos vertrok hij vorig jaar naar Sarajevo. Hij was bedrijfsleider van PMT The Mast op een militaire basis waar 600 Italiaanse Sfor-soldaten en een aantal anderen waren gelegerd. ‘Echos heeft meerdere ‘homes’ in voormalig Joegoslavië’, vertelt hij. ‘Overal staan echter wel Hollandse snacks op de kaart. Noem maar op: kroketten, frikandellen, vlammetjes, bitterballen, loempia’s, sateetjes en frites met. Op groente na moet zo’n beetje alles diepgevroren worden aangevoerd. En die goederen komen dus allemaal uit Nederland.’

Tosti’s
De Italianen moesten even wennen aan de typische Hollandse snacks. ‘Vooral hamburgers liepen goed. Daarvan verkochten we dozen per dag. Aan de kroketten raakten de soldaten ook aardig gewend. Frikandellen verkochten we minder aan de Italiaanse soldaten, wel weer schnitzels en tosti’s. Nee, pizza’s hebben we daar niet verkocht. Dat konden de soldaten al genoeg, verser en beter krijgen in hun eigen mensa. Dan hoef ik niet aan te komen met diepvriespizza’s.’

Het doel van Echos om de soldaten een thuis in den vreemde te geven, lukte ook in The Mast. ‘Soldaten komen graag omdat het er gezellig is’, vervolgt Scheltus. ‘Je kon er biljarten, schaken en we verhuurden bijvoorbeeld ook mountainbikes. Daarnaast had ik een paar knappe dames in dienst, zowel lokaal als internationaal. Ik heb bijvoorbeeld diverse Scandinavische assistentes gehad. Die hadden ook nogal wat aantrekkingskracht op de soldaten, als je begrijpt wat ik bedoel.’

Alleen mensen met een Sfor-pas kregen toegang tot de legerkampen. ‘We kregen dus ook geregeld Nederlandse, Duitse, Franse en Amerikaanse soldaten over de vloer. Alleen bij de hoofdbasis van de Amerikanen kwam je er echt niet in. Dat was compleet afgesloten. Een prachtige basis met vestigingen van Mc Donald’s, Burger King en ga zo maar door.’

Graf
De keerzijde was het oorlogsleed waarmee hij geregeld werd geconfronteerd. ‘Een lokale medewerkster kwam na twee dagen al huilend op mijn bureau. Ze wilde bloemen op het graf van haar man leggen, die zou op die dag jarig zijn geweest. Natuurlijk gaf ik haar meteen vrij.
Maanden later vertelde ze me hoe haar man was gestorven. Hij ging naar de bakker brood halen maar kwam niet meer terug. Die vrouw moest twee uur later naar het ziekenhuis haar man identificeren. Allen het bovenlichaam was nog over, de rest was door een granaat weggevaagd. Toen ik dat hoorde, had ik het echt even gehad.’
Het was soms zo verschrikkelijk om te zien hoe hele wijken waren weggevaagd en huizen kappot waren geschoten. Dan besefte je weer in een land te zijn waar vijf jaar oorlog heeft geheerst en vele mensen het leven lieten.’

Kroegbaas
Zijn bijnaam bitterbalkoning van Sarajevo, dankt hij aan een Nederlandse cafébaas, die een etablissement in het centrum van de stad had. ‘Daar kwamen zo’n beetje alle buitenlandse ondernemers en vertegenwoordigers. Ik kwam met de kroegbaas aan de praat. Hij vertelde dat hij graag bitterballen en kroketten zou wilde hebben, vanwege de vele Nederlandse bezoekers. Die heb ik hem toen bezorgd en zo is die bijnaam ontstaan, maar zo werd ik natuurlijk niet dagelijks genoemd.’

Over de bitterballen kan Scheltus nog wel wat vertellen. Toen hij vertrok kwam hij in contact met een Nederlander die in Bosnië woonde. ‘Die vroeg me een doos bitterballen mee te nemen. Zo gezegd zo gedaan. De man had ’s avonds zijn Nederlandse vrienden uitgenodigd om de bitterballen op te komen eten. Zijn huishoudelijke hulp bleef echter maar weg. Toen hij een kijkje in de keuken nam, zag hij dat die vrouw de bitterballen aan het koken was. Op de doos staat niet dat je ze moet frituren. Haha, had hij nog geen bitterballen.’

Fritessaus
Geregeld kwamen ook Nederlanders naar the Mast. ‘Op een gegeven werden een aantal marechaussees bij de basis gelegerd. Een aantal van hen kwam binnen en schoof aan in de rij’, verhaalt Scheltus. ‘Eén van hen hield op een gegeven moment een zakje fritessaus hoog. ‘Hé jongens’, riep hij. ‘Ze hebben hier Remia.’ Die jongen was net twee dagen van huis. Die mannen zijn de tijd dat ze er gelegerd waren iedere avond in The Mast geweest.’

Als veel foto’s zijn bekeken en veel anekdotes zijn verteld, wordt het tijd om te gaan. Voor Scheltus komt het defintieve afscheid van het leven bij de Koninklijke Nederlands Protestantse Militaire Bond Pro Rege er ook aan. ‘Per 1 juli houdt het voor mij hier op. Ik ben dus op zoek naar werk’, lacht de Leidschendammer. ‘Of ik terug naar Joegoslavië zou willen?. Dat zou best leuk zijn, want ik heb nog steeds veel contact met mensen daar. Ik moet echter ook denken aan mijn vrouw en ons gezin.’