artikel

Jan Oosterhoff: Moeite met minderen

Horeca

Een prachtig rijtje’. Jan Oosterhoff is content met zijn vier horecabedrijven aan het Leeuwarder Ruiterskwartier. De discotheek van zijn vader bouwde hij tien jaar geleden om tot Groot Café De Toog. De zaak kreeg gezelschap van Stapperij De Stengel, Café De Wereld en een half jaar geleden Het Skikwartier. En nieuwe plannen liggen al klaar. Eigenlijk wil hij het rustiger aan doen. Dat blijkt lastig. ‘De horeca is mijn brood, maar ook mijn leven.

Jan Oosterhoff: Moeite met minderen

Jan Oosterhoff (35) kijkt zijn bezoeker even aan. Lacht verontschuldigend en haalt zijn schouders een beetje op. ‘Mijn muziek is het ook niet’, is nog net verstaanbaar boven de staccato dreun die uit de speakers knalt. Het is vrijdagmiddag en in café De Wereld is het afgeladen vol. De schooljeugd amuseert zich goed op de snoeiharde houseklanken. Drinken, ouwehoeren en flirten. Meer heeft een tiener op vrijdagmiddag niet nodig. Alleen bellen is lastig. Op de stoep voor het bedrijf staat een aantal kleumende meisjes in hun mobieltje te praten.

Binnen is de doorsteek naar Groot Café De Toog zo gemaakt. De deuren tussen beide bedrijven staan open. De passage blijkt in hoge mate de aantrekkingskracht te bepalen van de in totaal vier bedrijven waarover de Leeuwarder horecaondernemer de scepter zwaait. Vanaf acht uur ’s avonds zal ook het belendende Skikwartier opengaan, inclusief de eveneens in een wintersportjasje gestoken bovenverdieping. Als ook deze tussendeur van het slot is gegaan, ligt er een uitgaanscomplex met een totale oppervlakte van 1600 m2. Bezoekers die op zoek zijn naar een andere sfeer of muziekstijl vinden het allemaal onder één dak.

Pietje Bier
Het Leeuwarder Ruiterskwartier is één van de drukste stukjes van de binnenstad. Fietsers, auto’s en streek- en stadsbussen wurmen zich de hoek om. Richting het NS-station of andersom, op weg naar een buitenwijk of één van de dorpen buiten de Friese hoofdstad. Voetgangers doen er verstandig aan op de stoep te blijven. Twee gebouwen domineren hier het uitzicht. De grijze zijmuren van het gerechtsgebouw aan de ene kant van de straat, de entree van stadsschouwburg De Harmonie iets verderop.

Horeca wist nooit echt te wortelen in dit gedeelte van de binnenstad. Toch was het hier dat Oosterhoffs vader jarenlang een bekende discotheek bestierde, Belle Fleur. Privéomstandigheden noopten hem tien jaar geleden de horeca voor gezien te houden. Jan Oosterhoff schat dat zijn vader in de jaren ervoor zeker vijftig horecabedrijven heeft gehad. ‘Ik kom uit een echte horecafamilie. We zijn wel tien keer verhuisd. Soms gingen we alweer verder als de spullen nog in de doos zaten. Pietje Bier werd mijn vader genoemd. Zeker onder de oude garde nog een bekende naam.’

Samen met zijn broer besloot Jan Oosterhoff de zaak in mei 1992 over te nemen. Na een grondige verbouwing gingen de deuren in november van dat jaar weer open. ‘We hebben alles eruit gesloopt en er een groot scholierencafé van gemaakt. Zeven dagen per week open, waarbij we mikten op de doelgroep van 16 tot 21.’ De Toog bleek in een behoefte te voorzien en al snel na de heropening zat de zaak vol. De samenwerking tussen de broers bleek minder goed uit te pakken. ‘Hij woonde buiten de stad en ik op maar honderd meter van de zaak. Bovendien was ik beter ingeburgerd in de stad. Ze belden altijd mij als er iets aan de hand was. We besloten dat het beter was dat hij voor zichzelf zou beginnen.’

Discobusjes
De opening van Groot Café De Toog is een schot in de roos. Open vanaf negen uur ’s ochtends zijn het overdag vooral scholieren en studenten die de zaak weten te vinden. ’s Avonds wordt een oudere doelgroep aangesproken die zich aangetrokken voelt tot de combinatie van rockmuziek, de vier poolbiljarts en dartborden.

Drie jaar nadat De Toog is geopend weet Oosterhoff het pand ernaast te verwerven, waarin tot dan toe een epilepsie-centrum is gevestigd. Hij opent er De Wereld. In eerste instantie gericht op een oudere doelgroep, 21 plus. ‘De Wereld heb ik gebouwd met het idee dat de zaak vijf jaar zou bestaan. De omzet in het eerste jaar had ik ingeschat op 7,5 ton. Maar ik draaide drie keer zoveel. Dat sterkt je natuurlijk in het idee dat je goed bezig bent. De zaak bestaat inmiddels vijf jaar, maar over die sluiting moet ik nog eens hard nadenken.’

Het succes van De Wereld had zijn keerzijde. ‘Wat je op zaterdag zag gebeuren, was dat De Wereld ’s avonds barstensvol zat en De Toog nagenoeg leeg bleef. Veel mensen trokken de stad uit, naar Berlikum, waar een paar grote discotheken zijn. Je zag al die volle discobusjes hier langsrijden. Een hard gelag. Zo is het idee ontstaan voor een doorgang tussen beide bedrijven. Tijdens de piekmomenten in De Wereld, een echt dance-café, konden mensen makkelijker even naar De Toog. Dit was zo’n succes dat na vier, vijf maanden de tussendeur permanent openging.

Een half jaar geleden kwam aan de andere kant van De Toog het Skikwartier erbij. Op zaterdag worden al die bedrijven samengebracht, inclusief de bovenzaal. Het is net als bij die bedrijven van Sjoerd Kooistra, verschillende sferen in één bedrijf.’

Concurrentie
Jan Oosterhoff duwt een houten deur open, achter in De Toog. Als de lampen zijn aangeklikt blijkt het een riante feestzaal te zijn. Met een capaciteit van 1500 personen is het een populaire locatie voor grote bedrijfs- of scholierenfeesten. ‘De Kast heeft hier zijn allereerste videoclip opgenomen’, zegt hij over de ruimte die over een paar maanden niet meer terug te kennen zal zijn. Rond augustus zijn er een housedisco en een beach-bar gerealiseerd. ‘Het betekent wel dat ik afscheid moet nemen van een paar heel grote feesten, maar ik denk dat het noodzakelijk is.

Het uitgaanspubliek in Leeuwarden is voor tachtig procent uit de stad afkomstig. Gelukkig zijn er de laatste jaren veel studenten bijgekomen. Toch heeft de stad geen aantrekkelijke uitstraling in de omgeving. Leeuwarden is voor veel mensen de grote stad waar veel negatiefs gebeurt. Mede hierdoor is de concurrentie van Berlikum enorm. Ouders zien hun kinderen liever daarheen gaan. Maar sinds de opening van het Skikwartier en de verbouwing van discotheek Fire hier in de stad, houden we de mensen beter vast. En met mijn nieuwe bedrijven moet dat nog beter gaan lukken.’

Rustiger aan
Oosterhoff is een man van de praktijk. Al vanaf zijn vijftiende werkzaam in de horeca. Als diskjockey in de zaken van zijn vader, als barman in zijn eigen cafés. De twintig horecajaren zijn hem zo langzamerhand niet in de koude kleren gaan zitten. ‘Ik vind het verschrikkelijk belangrijk om hier zo veel mogelijk te zijn. Dat maakt het horecavak ook zwaar. Je gaat het wel merken als je drie, vier dagen in de week tot half zes ’s ochtends werkt. Iedere week een jetlag. Als je net bent begonnen met een eigen zaak speelt dat niet zo’n rol, maar als je twee kleine kinderen hebt dan wordt je gezinsleven steeds belangrijker. Sinds een paar maanden heb ik daarom besloten het iets rustiger aan te doen.’

Eerder die middag had hij het vanachter zijn bureau gezegd. ‘Dit, wat hier in het kantoor gebeurt, kan ik niet uitbesteden. Maar ik wil wel wat vaker zeggen ‘op vrijdagavond ben ik er niet’. Dat valt me nog best zwaar. Ik heb altijd 100 procent gewerkt, ben een horecaman in hart en nieren. En een stapje achteruit is dan niet makkelijk.’

Om zijn taken te delegeren werkt Oosterhoff niet met bedrijfsleiders maar met vier mensen die hij ‘aanspreekpersonen’ noemt. ‘Dat werkt heel goed. Zij houden alles voor me in de gaten in de zaken. Ieder heeft zijn eigen taken. Om de week komen we bij elkaar voor een bespreking. Eén bedrijfsleider kan nooit alles wat die vier samen doen.’

Mindere periodes
In Oosterhoffs vier bedrijven werken 35 personeelsleden. De loonsom bedraagt naar eigen zeggen één miljoen gulden per jaar, bijna €454.000. ‘En’, zegt hij niet zonder trots, ‘het onroerend goed is van mij. Ik verkeer in een heel gunstige positie. Zeker door de waardestijging van de afgelopen jaren. Regelmatig informeert een brouwerij of de panden te koop zijn. Voorlopig zeg ik nee. Ik draai goed. Tuurlijk zijn er mindere periodes geweest. De Stengel heeft twee jaar lang heel slecht gedraaid. Op het laatst deed ik nog maar twee fustjes per week. De mensen achter de bar stonden er te lang en hadden te veel stamgasten. Dus nieuw barpersoneel. Een paar maanden later belt de brouwerij ‘Wat is er met De Stengel aan de hand?’ Het liep weer.’

Oosterhoff prijst zichzelf gelukkig tien jaar geleden de horeca in te zijn gestapt. ‘Een jonge ondernemer die nu voor zichzelf wil beginnen… Dat valt niet mee. Inrichtingskosten, loondruk, verzekeringen. Dure posten hoor. Als je toch begint, moet je een zaak creëren waar de hele dag handel in zit. Doe je dit niet, dan ben je zo afhankelijk van factoren als het weer of wat er op tv is. Ik merk dat zelf ook. Vorig jaar duurde de zomer wel erg lang. En bij mooi weer trekken veel mensen de stad uit. Van mijn terras moet ik het ook niet hebben. Ik mag tot negentig centimeter uit de gevel. Dat is van de zotte! Het zou mooi zijn als ze er een promenade van maken en het een eenrichtingsstraat wordt. Daar wordt over gesproken, maar of het doorgaat is nog de vraag.’

Controles
Als één van de grootste horecaondernemers in de stad weet Oosterhoff dat het gezegde ‘hoge bomen vangen veel wind’ ook voor hem opgaat. ‘Ik was bijvoorbeeld de eerste die zijn zaak volledig moest impregneren. Dat kost je toch vijftigduizend gulden extra. Ook bij controles valt je naam vaker dan die van anderen. Je hebt toch een soort voorbeeldfunctie. Kerstversiering? Ze komen eerst hier kijken of alles in orde is. En even verderop heeft een collega allemaal kerstbomen tegen zijn zaak en daar doen ze niets aan.’ ‘Toch is het een mooi vak’, besluit hij. ‘Ik ben er in opgegroeid. Het geeft ook veel vrijheid. Als het een keer mooi weer is en ik wil er even een middag tussenuit om te zeilen, dan kan dat wel.’