artikel

Mijn eerste machine kostte wel 3000 gulden!

Horeca

Na bijna zijn hele leven in de snackbranche te hebben gewerkt, verkocht Ton de Klaver (66) vorig jaar zijn snackfabriek aan Ruitenburg vlees en vleeswaren in Utrecht. Ruitenburg introduceerde de Klaver-kroket dit jaar landelijk. Het was een weloverwogen besluit voor De Klaver om juist met dit bedrijf in zee te gaan. Hij loopt er nog bijna dagelijks rond. ‘Sjaak van Miltenburg (directeur van Ruitenburg) en ik kunnen bij elkaar ons verhaal nog kwijt over vijftig jaar snackbranche.

Mijn eerste machine kostte wel 3000 gulden!

‘Het was af en toe gekkenwerk’, vertelt Ton de Klaver. ‘Voor de kerst draaiden we dertigduizend kroketten en nog eens dertigduizend bitterballen. Een week later, voor oud en nieuw, hetzelfde verhaal.’ Daarbij begon De Klaver in de jaren net na de oorlog. ‘Je moest alles opbouwen als zelfstandig ondernemer. Ik kwam wel uit een ondernemersgezin. Vader was bakker. Via familie van moederskant rolde Ton echter al op jeugdige leeftijd in slagersvak. ‘Ik volgde de slagersvakschool. Na mijn diensttijd begin jaren 50, kocht een oom een automatiek, naast de slagerij. Daarvoor ben ik kroketten en rookworsten gaan produceren, in de worstmakerij achter de slagerswinkel.

Garage
De Klaver was niet de enige die in die tijd met kleinschalige snackproductie startte. ‘Alle grote snackfabrikanten begonnen destijds op die manier. Zo had je Marcel Mourmans van Mora, die in een garage tegenover het station in Maastricht een begin maakte met snacks. Brekelmans van Breti en Joop Beckers. Ik herinner me dat Beckers begin jaren zestig een reis maakte naar Amerika. Daar kocht hij een hamburgermachine van honderdduizend gulden. Dat was een kapitaal. Meneer Koppens bouwde die machine om zodat je er ook kroketten mee kon maken. Zo ontstond de eerste krokettenmachine. Koppens kwam later met een hele lijn van snackmachines. Ik maakte alles echter nog grotendeels handmatig, samen met mijn vrouw. Zo’n machine was veel te duur.’

De Klaver leerde zijn vrouw kennen net nadat hij de automatiek had overgenomen. ‘Mijn vrouw sprong bij in de automatiek, ik maakte daarnaast snacks en bezorgde deze ook. Met een autootje reed ik langs alle slagers en automatieken. Negentig procent van de slagers in Utrecht verkocht mijn kroketten. Ik noemde mezelf toen ook geen snackfabriek. Nee, op mijn auto stond Groothandel De Klaver. Want slagers deden graag voorkomen alsof ze alles zelf maakten.’ De worstmakerij werd op den duur te klein als productieruimte. We verhuisden naar een groter pand, midden in Utrecht aan het Visschersplein. De Klaver toont foto’s van de toen nog lege hal. ‘Ik had één kleine ‘stopbus’, een slagersmachine van de firma Reuver. Die kostte destijds rond de drieduizend gulden. In die stopbus zat de ragout. Bij het oude model moest ik met mijn knie een duwtje tegen de stang geven om de ragout eruit te persen. Met een mes sneden we daar kroketten van. Die rolden we door eiwit en paneermeel en dan gingen ze in de doos.’

Optellen zonder BTW
Ook maakte De Klaver slaatjes in deze zelfde machine. ‘Tot in de jaren zeventig de grote saladefabrieken opkwamen. Tegen hun scherpe prijzen konden wij niet tegen werken, wat een reden was om te stoppen met slaatjes. Later ben ik overgegaan op een grotere stopbus van Reuver. Daarmee kon je direct de juiste hoeveelheid vulling doseren en het mes zat er al aan. Eind jaren zeventig stond de hal vol met een complete krokettenlijn, we maakten bami- en nasischijven en hamburgers. Ik had inmiddels twaalf man in dienst.’ Volgens De Klaver was het wel een gezellige tijd. ‘Alles ging nog gemoedelijker. Als ik worst en kroketten afleverde bij een cafetaria of slagerij, schreef ik een bonnetje uit. Aan het eind van de week telde ik gewoon de eindbedragen bij elkaar op, BTW was er nog niet. Later werd dat allemaal veel meer werk. Bovendien had en heb ik heel trouwe klanten. Hoog Catharijne bestaat dit jaar dertig jaar. Twee cafetaria’s daar, Wim’s Automatiek en snackbar Kruys, zijn vanaf het begin klant bij mij.’

Zorgjes’
De Klaver hield ook steeds contact met andere snackfabrikanten van zijn generatie. Samen met mensen als Mourmans, Van Geloven, Beckers, De Vries en Brekelmans zat De Klaver in de Vereniging van Kokswaren- en Snackfabrikanten. ‘We waren met een man of dertig, waarvan acht grote jongens en de rest allemaal ‘Ton de Klavertjes’. Op den duur ging dat mis. We spraken bijvoorbeeld over export of bedrijfskleding, waar wij als kleinere jongens niets mee te maken hadden. Over onze zorgjes werd niet gesproken. Ik zei daar wat van en voor ik er erg in had, zat ik in het bestuur. Maar op den duur zijn we als kleinere producenten toch apart verder gegaan.’ Op een gegeven moment kreeg De Klaver ook aanbiedingen van andere snackfabrikanten. ‘Zo ben ik met een grossier in zee gegaan. Die wilde mijn producten wel in zijn assortiment opnemen. Dat heb ik geprobeerd, maar het werd niks. De mensen die daar werkten hadden te weinig verstand van wat ze verkochten. Bovendien was De Klaver als merk eigenlijk alleen in Utrecht bekend. Uitgroeien naar een landelijk bedrijf heb ik nooit voor ogen gehad. Ik wilde gewoon lekker werken.’

Frituurpan
De Klaver verhaalt ook over de keer dat hij werd benaderd door een grote snackfabrikant. ‘Zij wilden de productie van mijn kroketten overnemen en ik zou als vertegenwoordiger klanten afgaan. Maar ik was toen al zestig en voelde daar weinig voor. Dat was meer iets voor een man van veertig.’ Daarna kwam Sjaak van Miltenburg in beeld.’ De Klaver kende Van Miltenburg al uit de tijd dat die als jongen nog een bijbaantje had in een slagerij. ‘Op een gegeven moment zou ik voor hem kroketten gaan leveren. Ik kwam daar voor een gesprek en de frituurpan stond al aan. Je weet wel hoe dat gaat, ouwe-jongens-krentenbrood.’

Goed afgerond
Op oudejaarsdag 1998, herinnert De Klaver zich, stond Van Miltenburg al om half acht ’s ochtends op de stoep. ‘Nu moeten we maar eens na gaan denken wat we willen voor volgend jaar’, zei hij. Uiteindelijk heb ik de stap gezet en is mijn hele bedrijf, inclusief personeel, opgenomen in Ruitenburg.’ De Klaver heeft er nooit naar gestreefd dat zijn kinderen de zaak voort zouden zetten. ‘Ze hebben allemaal in het bedrijf gewerkt, op zaterdag en in vakanties. Nu hebben ze goede banen. Als we het bedrijf voort hadden willen zetten, hadden we bovendien moeten uitbreiden, verhuizen en investeren. Daar wil ik mijn kinderen niet mee opzadelen. Het is mijn toko, ik heb hem opgebouwd en ik wilde het verhaal goed afronden. En dat is nu gebeurd.’