artikel

Nieuw zelfbewustzijn in de Bergerac

Horeca

De Bergerac worstelde lang met een minderwaardigheidscomplex. Maar een jonge generatie wijnmakers heeft lak aan de reputatie uit het verleden. Jaar na jaar worden de wijnen beter. Soepel wit. Karaktervol rood. En niet te vergeten de zoete topwijnen Monbazillac en Saussignac. Edeler kan een rotte druif bijna niet smaken.

Nieuw zelfbewustzijn in de Bergerac

Het kleine, groene, etiketloze flesje wordt leeggeschonken boven de glazen. Verwachtingsvol kijkt Fabrice Feytout zijn gasten aan. De dieppaarse Prestige 2002 van zijn Château Beauportail is erg jong. En ontbeert nog de achttien maanden op het eikenhouten fust, die de wijn volgens de jonge wijnboer nodig heeft om tot volle wasdom te komen. Een explosie van fruitgeuren stijgt op uit het glas. Buiten slaat de regen hard tegen het dak.

‘Het was een moeilijk jaar. De zomer was niet echt warm. Maar in september hebben we drie fantastische weken gehad. Dat maakte alles goed. Een dag voor we wilden oogsten ging het regenen. Gelukkig droogde de zon de druiven even later snel op, omdat we ’s zomers al veel blad en een deel van de toen nog groene druiven hadden weggehaald. Zo houden we per stok acht tot tien trossen over die mooi naast elkaar hangen. De hele oogst konden we in een paar uur tijd binnenhalen. Mijn rendement is niet zo hoog, zo’n anderhalve fles per stok; maar doe je het op een andere manier, dan krijg je geen mooie wijn.’

Mensen als de 32-jarige Feytout lopen er meer rond in de Bergerac. Jong, sinds een paar jaar zelfstandig wijnmaker, en vertegenwoordigers van het nieuwe elan dat de Bergerac-regio kenmerkt. ‘Mijn ouders huurden dit. Ik ben hier opgegroeid. De eigenaar wilde het aan hen nooit verkopen, maar gelukkig kon ik het in ’98 wel verwerven.

Dit château had geen naam. Alles stond in het teken van productie. Mijn ouders konden ook nooit doen wat ze wilden. Mijn vader dacht dat ik gek geworden was toen hij mij vorig jaar hielp met het weghalen van de onrijpe druiven. Inmiddels zien ze dat het effect heeft, en zijn ze wel trots.’

Potentie voor topwijn.
Met 12.300 hectare aan wijnstokken beslaat de Bergerac een tiende van het oppervlak van ‘buurman’ Bordeaux. De twee gebieden liggen naast elkaar. Een deel van de 1200 wijnproducenten die in het gebied rond de stad van Cyrano actief zijn, hebben ook in de Bordeaux wijnstokken staan. De klimatologische omstandigheden zijn vrijwel identiek. Dat geldt ook voor de geplante druivenrassen als sémillon, sauvignon, muscadelle en een pietsje chenin blanc voor de witte wijnen en merlot, cabernet franc, cabernet sauvignon en malbec voor rood. De grond biedt voldoende potentie voor topwijnen. Dertien appellations d’origine contrôlée (AOC’s) telt het gebied. Goed voor rood, wit en rosé in legio variëteiten.

De Bergerac dankt zijn bekendheid aan de grote hoeveelheden zoete witte tafelwijn, de Moelleux, die jarenlang volop werd geproduceerd. Inmiddels hebben ook rood en rosé een belangrijke plaats gekregen. De vraag naar rosé uit het gebied overstijgt zelfs de productie. En uit de regio rond Pécharmant, een erkende AOC, komen betaalbare rode wijnen die het kwalitatief met gemak tegen de betere Bordeaux-wijnen kunnen opnemen.

Het best bewaarde geheim uit de Bergerac is echter afkomstig uit de gebieden Monbazillac en Saussignac. Eveneens zoete witte wijnen, maar deze lijken meer op de bekende Sauternes. Ze worden gemaakt van druiven die de pourriture noble, de ‘edele rotting’ hebben ondergaan. De vochtige mist uit de rivier de Dordogne, die het hele gebied doorkruist, tast in het najaar de schil van de rijpe druiven aan waardoor het druivensap verdampt. Wat achterblijft levert een extreem geconcentreerde en goudkleurige wijn op die – licht gekoeld – uitstekend combineert met zoete nagerechten als crème brûlee, maar ook met blauwschimmelkaas en hét product van de streek, foie gras van eendenlever.

In diverse smaakvariëteiten en jaargangen zullen ze de proeverijen beëindigen bij de wijnhuizen die worden aangedaan. Vrijwel stuk voor stuk voorzien van een afdronk waarin exotisch fruit als mango en citrusvruchten lang in de mondholte blijven hangen, maar onderling toch sterk in smaak variërend. ‘Dit is het resultaat van een constante passie’, zegt Thiery Daulhiac dan ook serieus als hij zijn gasten de Cuvee Marie Jeanne inschenkt, een Saussignac uit 1998, vernoemd naar zijn grootmoeder. Door vier keer langs de wijnstokken te gaan worden de druiven voor deze fantastische wijn handmatig geselecteerd.

Tegendeel bewijzen.
Net als collega Feytout nam ook Thiery, samen met echtgenote Isabelle, een paar jaar geleden het wijngoed van zijn ouders over. ‘Chateau Le Payral’ prijkt op het bord aan de weg. ‘Traditioneel maakten we in de Bergerac veel Moelleux. Daar was ook ontzettend veel vraag naar, vooral uit Nederland.

Toen kwam er meer vraag naar droge witte wijn, en daarna rood. Die kwaliteit was niet al te best; ook hierbij draaide alles om kwantiteit. Wat ons mindere imago ten opzichte van Bordeaux nog eens versterkte. Na de periode van hoge productie en weinig kwaliteit, zie je nu veel meer elegante wijnen uit dit gebied komen. De generatie van mijn ouders had echt een minderwaardigheidscomplex ten opzichte van Bordeaux. De nieuwe generatie wil bewijzen dat het beter kan.’

Thiery Daulhiac wijst in de richting van de beboste heuvels. Aan de voet ervan bevindt zich het volgens hem beste stukje van zijn 15 hectare tellende ‘vignoble’. ‘Een ondergrond met vuursteen en veel ijzer. Mijn opa heeft er witte druiven aangeplant. Hij was een liefhebber van likeurachtige wijnen. Zoals hij ze maakte is het mij nog nooit gelukt.

Daar’, en de arm zwaait naar rechts, ‘ligt een stuk zandgrond. Daar komt mijn beste witte wijn vandaan. De bomen zorgen voor wat meer schaduw, wat zorgt voor veel aroma’s in de sauvignon-druif. Ik hoef er geen assemblages van te maken om tot een mooie wijn te komen. Wat betreft de rode wijn zoeken we nog een beetje naar de juiste balans. Op dit moment laten we bodemonderzoek uitvoeren.’

Vol Bravoure
Het nieuwe zelfbewustzijn in de Bergerac is niet voorbehouden aan de Franse wijnmakers. Net als in andere delen van Frankrijk zijn ook hier inmiddels flink wat wijnmakers van buitenlandse komaf neergestreken. In bijna alle gevallen kochten ze een vervallen wijngoed, rooiden, snoeiden of vervingen een deel van de stokken, knapten de gebouwen op en betraden vol bravoure de markt.

Met de intentie de beste wijn in de Bergerac te maken nam de Engelse Olivia Donnan vijf jaar geleden het 33 ha tellende Château Masburel over. Ze investeerde fiks in het opknappen van het château en de wijngaard. Of de doelstelling inmiddels is gerealiseerd, daarover valt te twisten. Al zijn de wijnen, Château Masburel en Lady Masburel, uitstekend. Donnan laat weinig aan het toeval over. In de oogstperiode laat ze vanuit de lucht zelfs infraroodopnamen maken om de optimale rijpheid van de druiven te bepalen.

En ook Maarten en Rita van Kempen trokken een paar jaar geleden naar Frankrijk om wijnboer te worden in Frankrijk. Château Fayolle-Luzac heet hun wijnlandgoed. ‘Onze Franse collega’s accepteren ons goed. Als je vragen hebt, krijg je altijd antwoord. Wel is er een gebrek aan voorlichting van overheidskant. En je krijgt te maken met een enorme hoeveelheid paperassen’, somt de oud-bankier voor- en nadelen op. We proeven een witte Montravel uit 2001. Gemaakt van 95 procent muscadelle en 5 procent sémillon. Aangenaam fris, tikje kalk in de afdronk. Een ideale begeleider van een licht voorgerecht.

Indrukwekkend is het prachtige Château Monestier la Tour van de Nederlander Philip de Haseth-Möller. ‘Het huis was afgebrand. Toen we het in 1998 kochten, had het drie jaar lang ingeregend. Overal zaten schimmels, paddestoelen, ratten.We hebben alles gerestaureerd. De dorpelingen waren er blij mee. Hun kasteel, waarvan de oudste delen dateren uit de dertiende eeuw, stond er weer.’ De vastgoedhandelaar liep al langere tijd rond met het idee een eigen wijnchâteau te kopen.

‘Zeker 40, 50 hebben we er bekeken. Mijn gedachte was dat het een château moest zijn waar wat te doen viel.’ Na de restauratie kwamen de wijnstokken aan de beurt. De Haseth schafte nieuwe materialen en tanks aan, en breidde het wijngoed uit tot de huidige 43 ha. Echtgenote Emily, verantwoordelijk voor de verkoop van de wijnen onder de namen Chateau Monestier La Tour en Clos de Monestier, zegt: ‘Het is fantastisch om op pad te gaan met wijnen die steeds beter worden.’ Ze vult de glazen met een piepjonge Clos de Monestier. ‘Deze won in ’98, ons eerste jaar hier, gelijk al een prijs bij een lokaal concours’, verhaalt ze trots.

Houtrijping
Dat er in Frankrijk nog eikenbomen staan mag een wonder heten. Bij de meeste wijnboeren staan legio nieuwe fusten in slagorde opgesteld. De huidige markt vraagt immers in veel gevallen om houtrijping, al blijkt het opleggen soms ook min of meer noodzakelijk. Om de krachtige rode wijnen een zachtere ronding te geven, of om karakter mee te geven aan sommige witte wijnen.

Al dat hout is Sylvie de Bosredon eigenlijk een doorn in het oog. ‘Wat is er mis met puur natuur? Gewoon vergisten, rijpen en klaar? Als kind al vond ik de geur van jonge wijn heerlijk. Het ruikt net naar de keuken waar je grootmoeder jam maakte. Nog steeds houd ik meer van wijnen die niet op hout zijn geweest.’

Toch ontkomt ook Chateau Belingard niet aan houtrijping. In een deel van de kelders van dit bekende en grote wijnhuis experimenteert echtgenoot Laurent zelfs met verwarmingselementen in de houten vaten. Daarin bevindt zich een blend van sauvignon- en sémillon-druiven. Ook fusten van Amerikaans eiken zijn op dit historische wijnlandgoed te vinden. ‘Om tegengas te geven tegen al die houtchips die daar in de wijn worden gedaan’, verklaart ze. ‘Dat is in Frankrijk verboden. Maar als mensen die smaak waarderen, moet je in die richting gaan kijken.’

‘Wijn drink je voor je plezier’, zegt ze als aan het eind van de proeverij een Monbazillac uit 2000 de glazen vult. ‘Al die urenlange discussies over wijn zijn zinloos. Wijn drink je bij goed eten en met een paar vrienden. Daar moet je niet te lang over praten.’