artikel

Op de trappers

Horeca

Gasten gaan op de trappers staan als ze langsfietsen. Alleen als de kastelein er is, gaan ze naar binnen. Dan is het er ook druk en gezellig.’ Ergens op een bovenzaaltje in de binnenstad van Utrecht kwam vorige week de jury bijeen van de Café Top 100. Bovenstaande opmerking van een jurylid blijft hangen.

Op de trappers

Ergens op een bovenzaaltje in de binnenstad van Utrecht kwam vorige week de jury bijeen van de Café Top 100. Boeiende bijeenkomst. Alle honderd kroegen kwamen aan bod, plus een aantal nieuwkomers dat opwachting maakt.

Bovenstaande opmerking van een jurylid blijft hangen. Is het nou een goede kroeg met zo’n kastelein of is het geen goede kroeg? De laatste weken was de kastelein uitgeschakeld en het was er een dooie boel, zo begrijp ik. Tja, dan klopt er toch iets niet. Een kroeg mag nooit afhankelijk zijn van de kwaliteiten van één enkele gastvrouw of -heer.

Sfeer is ook zo’n element dat tijdens het juryberaad steeds terugkomt. Sfeer kun je niet definiëren, maar wel haarfijn aanvoelen als bezoeker. Mopperend wordt gesproken over een top 100-café dat niet meer is dan ‘een lange aangeklede zaal’. Die kan er dus uit, volgens het jurylid. Een ander jurylid heeft het over een uiterst succesvolle kroeg die maar blijft uitbouwen. ‘Hij moet oppassen, straks stoppen de touringcars voor zijn deur. Dan jaagt hij zijn vaste gasten weg.’

Verder is er kritiek op de ontvangst van gasten als er een evenement op til is. Het terras is ineens een enorme janboel. Het personeel is alleen nog maar gericht op het ‘straks, als het begint’ en niet op het ‘nu, nu ik er ben’. Het is een beetje een sluipende horecaziekte: Nederland is verveeld en holt massaal van evenement naar evenement. Kroegen haken er en masse op in.

Cafés hebben het niet makkelijk. Het aantal uren dat de eigenaars in de zaak draaien, neemt alleen maar toe. Daarmee maken ze zich kwetsbaar. De eigenaar of eigenares wórdt dan de kroeg. Dat is geen gezonde basis voor een goedlopende onder­neming. Het zoeken naar extra omzetmogelijkheden is te begrijpen. Maar soms verlang je terug naar de echte ‘Carmiggeltkroeg’. Je komt binnen, ruikt de rookwalm en ome Gerrit zit aan zijn borreltje aan de bar. Ome Gerrit ging net als iedereen na de oorlog in het verzet. Zo’n kroeg die zich als een warme, oude jas om je schouders slaat. Hij zit lekker, je zou hem eigenlijk moeten wegdoen, maar je blijft hem trouw.

Zo’n kroeg dus.

Peter Garstenveld, Hoofdredacteur Misset Horeca

Eerder verschenen:

Reageer op dit artikel