artikel

Op zoek naar de roots van de Ierse pub

Horeca

De Ierse pub is wereldwijd een groot succes. Vanwege de muziek, de pints met Guinness, de rokerige plafonds, de lage zitjes. Klanten lopen warm voor de pubs met hun craic, het Ierse woord voor gezelligheid. Een aantal cafékenners toog naar Ierland en maakte een reis van de oost- naar de westkust, op zoek naar het geheim achter het Ierse pubgevoel. En kwam meer tegen op zijn reis dan pubs alleen. Hoe kan het dat een band van vijftigers zelfs de bar van een airport-hotel op stelten zet?

Op zoek naar de roots van de Ierse pub

Dublin vanuit de lucht is lelijk. De hoge schoorstenen van een aan de oever gelegen fabriek springen het meest in het oog. Het vliegtuig zet de landing in, scheert langs de buitenwijken van de stad. Wielen bonken op het asfalt. We zijn in de Ierse hoofdstad en hebben een programma van drie dagen voor de boeg waarbij we van oost naar west reizen, met een scherp oog voor pubs, restaurants en hotels.
Ook de luchthaven doet geen moeite bevallig te zijn. Gangen zijn afgesloten, je struikelt over de mkz-matten, elektriciens werken op steigers aan de plafonds. Het duurt een half uur voordat de koffers eindelijk verschijnen op de bagageband.

Het zwarte bier
Zonder ongelukken bereiken we met een huurauto het hotel aan de rand van het centrum, dat niet over een parkeerplaats blijkt te beschikken maar toch 240 gulden per nacht per kamer rekent. De receptioniste herinnert zich niet meer wanneer ze voor het laatst heeft gelachen, tekent op een kladje de route naar een gratis parkeerplek, maar na een half uur keren en draaien zetten we de auto in een 24-uurs parking. En checken eindelijk in.
In de hotelbar annex jongerenkroeg bestellen we half a pint of Guinness, het zwarte bier dat onlosmakelijk verbonden is aan Ierland en zijn pubs. We weten het: ‘a small glass’ bestellen is eigenlijk meer iets voor een watje, maar we hebben nog een lange dag voor de boeg en een stout drinken doen we ook niet iedere dag.

Guinness-brouwerij
Na een kort bezoek aan Ryans in Camden Street – waar twee gevulde dames de tosti met plastic en al in het opwarmapparaat deponeren en we de kranen bewonderen waaruit Miller, Heineken, Knight, Budweiser en Guinness stromen – besluiten we de dubbeldekker te nemen die ons naar de Guinness-brouwerij brengt. We móeten de brouwerij bezoeken die verantwoordelijk is voor de wereldwijde opmars van de Ierse pub. De brouwerij die per jaar 2000 verzoeken krijgt om buiten Ierland een Ierse pub te beginnen, en die sinds de eerste in 1972 in Frankfurt de deuren opende, honderden pubs heeft helpen opstarten.

Museum van moderne kunst
Zo traditioneel een pub is, zo verbijsterend modern is het nieuwe bezoekerscentrum in de oude opslagplaats van de brouwerij. Na ruim vier jaar verbouwen en bijna 100 miljoen gulden investeren zijn zes verdiepingen opgeleverd waar de lof op het zwarte goud uit Ierland wordt bezongen (zie ook kader). Het lijkt alsof er rond het biermerk een museum van moderne kunst is verrezen, ingericht door de meest trendy designers.
Door middel van een intelligent spel met letters, oude brouwvoorwerpen, televisie en geluid krijgt de bezoeker een Guinness-experience aangeboden. Informatie over naamgever Arthur Guinness, over het brouwen van de stout, over het transport, over de reclame en de mensen die het drinken. Op de hoogste etage van het bezoekerscentrum is een bar gevestigd in de vorm van een pint, die uitzicht biedt op de stad.

Verwondering
Na afloop ben ik de feiten vergeten – die lees ik nog wel ergens na. Wat blijft is een gevoel van verwondering over de manier waarop een biermerk wordt gepresenteerd. De brouwerij verwacht 1 miljoen bezoekers per jaar en het Guinness storehouse zal daarmee een van de belangrijkste attracties van Dublin zijn.
Dublin is hip, zeggen alle reisgidsen en tijdschriften. De laatste twintig jaar profiteert de stad van grote economische voorspoed. Ierland is al jaren een van de snelstgroeiende economieën in de Europese Unie, mede dankzij de miljarden die van Brussel naar Dublin stromen. Een groot deel van de bevolking is jong, de jeugdlonen zijn omhooggeschoten. Doordat de jongeren tijd en geld hebben, is er een markt ontstaan voor hippe horecaconcepten.

Fitzers
The Temple Bar is de trendy uitgaanswijk. Groot is het uitgaansdistrict niet, een lange straat met wat zijstraten waar bars en restaurants naast elkaar staan. We schuiven aan in het drukke restaurant Fitzers. We krijgen een tafeltje bij het raam met zicht op een pleintje waar een studentenkoor liedjes zingt. Een luisterende Ier met ontbloot bovenlijf raakt begeesterd. Met een rauwe bariton die uit zijn tenen lijkt te komen, overstemt hij het achtkoppige studentenkoor. Tegen zoveel authentieke soul zijn de getrainde keeltjes niet bestand en giechelend delven ze het onderspit.

Rauwe stem
De Ierse zalmen zijn verorberd – aan vis op de kaart geen gebrek hier – en na de forse rekening te hebben betaald (Ierland wordt inderdaad welvarend), laten we de hippe concepten voor wat ze zijn en gaan naar een klassieke Ierse pub. Welke wordt het? Er zijn er zoveel. The Brazen Head in Bridgestreet, de oudste van Ierland. Mulligans aan Poolberg Street, waar James Joyce over schreef in zijn roman Dubliners en waar het journaille van Dublin zich verzamelt. Of O’Donoghue’s bijvoorbeeld, de kroeg van de legendarische band The Dubliners. De laatste wordt het omdat de rauwe stem van de half ontblote Ier nog nagalmt. Meer muziek willen we horen.

Pints
Met de taxi worden we op het juiste adres afgeleverd, we doen de deur open en vallen in het luide geroezemoes van stemmen, gelach en live-muziek. Het interieur is al decennialang niet vernieuwd, het hout heeft overal de kleur aangenomen van nicotinebruin. De elektriciteitsdraden hangen als lianen achter de bar, geen idee waar de nooduitgang is. Vijf muzikanten op lage krukken spelen hun folknummers terwijl de Ieren staand de pints aan de mond zetten. Achterin is een aparte zitruimte waar tientallen mensen met elkaar in gesprek zijn. Ook de vrouwen drinken hun pints. Geen wijn, geen trendy drankjes, alleen halve liters bier. Een café waar tientallen jaren niets veranderd is, alleen de mensen die er komen.

Familiehotel
De volgende dag stappen we in de auto, wurmen we ons links rijdend door het verkeer de stad uit, op weg naar de westkust in Lisdoonvarna. Ruim 200 kilometer door een golvend groen landschap, om te eindigen bij het Balinnalacken Castle Hotel met uitzicht op de Atlantische Oceaan. We arriveren aan het eind van de middag bij het familiehotel dat geleid wordt door Marian O’Callaghan. Het hotel bestaat uit 13 kamers, een bar, een lounge en een prachtig restaurant. Het gebouw werd al in 1840 gebouwd als villa. Het interieur ademt de sfeer van vervlogen tijden. In de slaapkamers staan grote kasten en ouderwetse klassieke meubels.

Tegenwoordige tijd
De vader van Marian vertelt over hoe hij vijftig jaar geleden hier begon. Via een lange omweg komt hij op de tegenwoordige tijd. Hij laat merken dat dit jaar een moeilijk jaar wordt voor Ierland. ‘De mkz-crisis is rampzalig voor het toerisme in Ierland. CNN heeft ons in een aantal reportages over een kam geschoren met Engeland, terwijl wij geen geval van mkz hebben gehad. Het is desastreus voor de toeristenindustrie.’
‘s Avonds eten we in het restaurant van het hotel, dat tot de betere van de omgeving wordt gerekend. De man van Marian, Franky Sheedy, staat achter het fornuis. Hij is een jonge kok die graag met Ierse producten werkt. We bestellen onder meer zalm, lam, eendenborst en tarbot. Na de heerlijke maaltijd trekken we ons terug in de lounge met knappend haardvuur waar cognac en sigaren wachten. Ook in andere gelegenheden dan in pubs is het goed toeven.

De Cliffs
De volgende ochtend reizen we naar de beroemde Cliffs of Moher, een van de spectaculairste gedeelten van de Ierse westkust. Over een afstand van acht kilometer dalen rotswanden honderden meters steil de zee in. Meerkoeten en zeemeeuwen nestelen zich in richels. De Atlantische golven beuken op de kust ver beneden ons. Zo ver het oog reikt is er het blauw van de oceaan. De Ierse liefde voor muziek, vaak wat melancholisch en mystiek, moet wel gevoed worden door dit oogverblindende landschap.
We vertrekken weer. Langs de kust richting Galway, langs McGans in Doolin, beroemd om zijn live-muziek, Irish Stew, Smoked Salmon en zijn slechte koffie; langs overbuurman McDermott’s (alleen die namen zijn al een aanleiding op zich om binnen te gaan), naar het Admirals restaurant waar je ‘Irelands best lobster’ kunt eten maar waar de open haard zoveel rook maakt dat we na een minuut al weer buiten staan, stinkend naar de houtskool. Hier gaan we niet eten.

Seafood platter’
Naar O’Donahue, anno 1915, een café met een oogverblindend lichtblauwe gevel, om tenslotte in Monks Bar & Restaurant in Ballyvaughan een ‘seafood platter’ te bestellen voor twaalf pond en waar gerookte zalm, krab, garnalen en mosselen strijden om als eerste te worden verorberd. Brendan Darcy (14) wil het vak leren, schenkt op een zonnig terras met twee handen de glazen tot aan de rand vol met chardonnay, krijgt vervolgens een stevige fooi om terug te komen met het geld in zijn hand en verbaasd te vragen ‘Are you sure’. Yes, we are. We beginnen te houden van dit land met zijn muziek, het eten en zijn mensen.
We checken in bij het Great Southern, een airport hotel in Shannon. De kamers zijn prima; voor de sfeer moet je hier niet zijn. Dus reizen we af naar Bunratty waar we bij Durty Nelly’s pas om 21.30 uur een tafel kunnen krijgen (hoofdgerechten tot 60 gulden). Intussen drinken we wat en luisteren opnieuw naar de muzikanten. De pub is een van de oudste van Ierland. Het is dat het vliegtuig de volgende ochtend wacht, anders waren we gebleven.

Hits
Naar het hotel om te gaan slapen. We lopen de lobby binnen en horen weer muziek. In de hotelbar blijkt een band te spelen, Bevis genaamd. Drie vijftigers, twee gitaristen en een drummer, zetten de boel op stelten. De buurtbewoners, die een gezonde buitenkleur op hun wangen hebben, zijn gekomen om hun zaterdagavond te vieren: hits uit de jaren zestig en zeventig passeren de revue. Mensen uit het publiek stappen voor de microfoon en zingen met hart en ziel nummers van Tina Turner of The Hollies. Wat gebeurt hier?
Het wordt nog gekker. De muzikanten zingen zich schor omdat het publiek ze smeekt om toegift na toegift. Ineens voelen we vreemde armen om onze nek en gaan we dansend door de knieën. We worden spontaan opgenomen in hun midden.
En als we dan voor de zoveelste keer een rondje maken, beseffen we waar de roots van het Ierse pubgevoel liggen. De wortels zijn niet Guinness, de pints, het landschap of de muziek. Het geheim van de ‘craic’ zit in de Ieren zelf, in hun genen. Wie een steriele hotelbar omtovert tot een dampende feestzaal, beschikt over de gave het leven glans te geven: de vele Ierse pubs zijn een expressie van dat ongewone talent.