artikel

Proefschrift

Horeca

Als ik achter mijn bureau zit kan ik rechts tussen beeldscherm en printer nog een stukje zien van mijn boekenkast. Ik zeg wel mijn boekenkast, maar het is vooral de boekenkast van mijn voorgangers, decennialange horecachroniqueurs.

Proefschrift

Pas onlangs viel mijn oog tussen scherm en printer op een boek ‘De eeuwige kroeg, hoofdstukken uit de geschiedenis van het openbaar lokaal’. Het is een paperback uit 1977. Tweede druk. Geschreven door G.H. Jansen. Zijn eerste zin in het woord vooraf: ‘Het zit erop; het verhaal is verteld. ik hoop dat mijn lezers er evenveel plezier aan zal beleven als ik, al mogen ze er gerust wat minder lang over doen.’

Het is zo’n zin met heimelijk veel verborgen inhoud. Het boek blijkt namelijk een proefschrift over het café. Ik trek mijn conclusies. Jansen was waarschijnlijk een eeuwige student. Hij rondde na jaren zijn proefschrift af over het onderwerp dat hem tijdens zijn studie het meest raakte: de kroeg. Was Jansen een loser in de dop?

Het gaat me helemaal niet om de conclusies die hij trekt. In het proefschrift van G.H. Jansen ontdek ik andere pareltjes, interviews met kroegbezoekers midden jaren 70. Al bladerend kijk ik ruim 33 jaar terug. Ik citeer Jansen:

‘Interview II wordt gegeven door een andere dertiger, een kunstenaar, getrouwd, woont net buiten het centrum. ‘En dan volgt de kunstenaar: ‘Ik kom hier nu een jaar of tien, vroeger drie tot vier keer in de week, nu zo’n twee keer. (……) Ik ga ook naar Arie van Schaik, dat is gewoner gebleven. Vroeger was dat ook in de Vriendschap, er was meer een familiesfeer. Toen ik er voor het eerst kwam zaten daar de melkboer en de veilingmensen, maar ook de man die ‘s avonds van zijn vrouw op zijn donder zou krijgen als hij zat thuis kwam. (…..) Het publiek is erg veranderd; van een volkscafe is de Vriendschap veranderd in een modieus geval, vooral in het weekend. (….) De gewone mensen komen er bijna niet meer. Dat zie je aan de biljartclub, opgeheven. Ik heb de pest aan dat semi-artistieke gedoe. (…..) Waarom kom ik hier… Het is dichtbij, het heeft iets aardigs, het is niet zo opgepoetst. Ik waardeer het café om die vier kale wanden, om de bruinige kleur overal in het café. Het is niet vrolijk, maar dat oude bruine doet het hem.’

Vooral die laatste regels blijven hangen. Zelden zo’n mooie, bijna poetische definitie gelezen van het café. Vier kale wanden en een bruine kleur. Misschien moet je daar inderdaad wel kunstenaar voor zijn. Interview II.

Waar zou G. H. Jansen tegenwoordig eigenlijk uithangen?