artikel

Verplichte drankafname

Horeca

Het is in de horeca een overbekend fenomeen: de verplichting om bier en andere dranken bij één specifieke leverancier af te nemen, vaak voor een lange periode. De grondslag voor zulke bedingen is doorgaans gelegen in de omstandigheid dat de horecaondernemer niet gemakkelijk aan financiering via een bank kan komen, maar wel een brouwerij bereid vindt tot het verstrekken van een lening. In ruil verlangt de brouwerij dat de uitbater uitsluitend haar bier afneemt. Ook plegen brouwerijen afnameverplichtingen te verlangen wanneer zij bijvoorbeeld de bedrijfsinventaris of kelderbierinstallatie aan de horecaondernemer in bruikleen geven of eigenaar zijn van het pand waarin een horecaonderneming wordt gedreven.

Verplichte drankafname

Voor een horecaondernemer kan zo’n afnameverplichting nogal nadelig zijn. Een exclusieve drankafnameverplichting beperkt de ondernemer immers sterk in de wijze waarop hij zijn onderneming kan drijven. Ook zal een afnameverplichting die aan het horecapand kleeft bij bedrijfsoverdracht de waarde van de onderneming drukken. Voor de horecaondernemer is een verplichting tot afname van bier en andere dranken dus niet onverdeeld positief.

Exclusieve drankafnamebedingen worden aangemerkt als ‘verticale overeenkomsten’, ofwel overeenkomsten die gesloten worden tussen twee of meer ondernemingen, in de praktijk veelal een bierbrouwerij en een horecabedrijf, die met betrekking tot bier en andere dranken actief zijn in verschillende fasen van de dezelfde distributie- of productiekolom.

Verticale overeenkomsten, zoals de verplichting om al het bier bij één brouwerij te betrekken, zijn aan regels gebonden. Drankafnameverplichtingen worden aangemerkt als concurrentiebeperkend en zijn daarmee in beginsel verboden. Toch wordt de soep niet zo heet gegeten als ze wordt opgediend. Op grond van de Nederlandse en Europese mededingingsregels zijn namelijk op het verbod vrijstellingen van toepassing.

De vrijstellingsregelingen gaan ervan uit dat de voordelen van verticale overeenkomsten meestal opwegen tegen de nadelen. Pas wanneer de betrokken leverancier een bepaalde macht op de markt heeft, kunnen beperkingen in verticale overeenkomsten een negatieve invloed op de concurrentie hebben.

Om te bepalen of sprake is van veel macht op de markt, wordt gekeken naar het relevante marktaandeel van de leverancier (let op: níet dat van de horecaondernemer). Is dat groter dan 30%, zoals bijvoorbeeld het marktaandeel van Heineken, dan geldt de vrijstelling niet. In zo’n geval dient de leverancier ontheffing aan te vragen bij de mededingingsautoriteiten (in Nederland de NMa).

Ongeacht het marktaandeel van de leverancier, mag een exclusieve afnameverplichting worden aangegaan voor de duur van maximaal vijf jaar. Dat ligt alleen anders, wanneer de leverancier eigenaar of verhuurder is van het bedrijfspand waarin de horecagelegenheid wordt uitgebaat. In zulke gevallen mag de drankafnameverplichting gelijk zijn aan de huurperiode. En dat kan dus (aanzienlijk) langer zijn dan vijf jaar.

Van concurrentiebeperking in de zin van de mededingingsregels is overigens geen sprake wanneer bij het afnamebeding minder dan acht ondernemingen zijn betrokken en hun gezamenlijke jaaromzet het bedrag van € 5.500.000,= niet te boven gaat. Van beperking van de mededinging is evenmin sprake, wanneer het gezamenlijke marktaandeel van de bij exclusieve afname betrokken partijen niet groter is dan 5% en hun gezamenlijke jaaromzet niet hoger is dan € 40.000.000,=.

Nederland kent slechts één brouwerij met een marktaandeel boven de 30%: Heineken. In het jaar 2000 heeft Heineken haar standaardovereenkomsten, die voorzien in exclusieve afname van pilsener, ter goedkeuring voorgelegd aan de NMa. De NMa kwam tot het oordeel dat de voorgelegde overeenkomsten de concurrentie niet beperkten, omdat de horecaondernemers ze met inachtneming van een termijn van twee maanden mogen opzeggen. Heineken heeft die vrijheid niet, zodat de horecaondernemer weliswaar te allen tijde de keuze heeft om met een andere leverancier in zee te gaan, maar tegelijkertijd de continuïteit van levering door Heineken gewaarborgd is.

Voor de goede orde wijzen we erop, dat een exclusieve afnameverplichting niet alleen opgenomen kan zijn in een overeenkomst met een brouwerij, maar ook ‘verstopt’ kan zitten in overeenkomsten met andere partijen. Gedacht kan worden aan een bepaling in de overeenkomst met de verhuurder die niet de brouwerij is, en die de verhuurder gedurende de looptijd van de huurovereenkomst het recht geeft de bierleverancier aan te wijzen. Zulke bedingen kunnen ongeldig zijn. Gaat de looptijd van de huurovereenkomst namelijk de vijf jaar te boven, terwijl de brouwerij niet als verhuurder optreedt, dan geldt de hiervoor genoemde vrijstelling niet.

De afnameverplichting beperkt zich in de praktijk niet alleen tot het bier. Ook zal vaak bedongen worden dat de overige dranken die in de horecagelegenheid geschonken worden, zoals frisdranken en sterke drank (het ‘restpakket’), bij een bepaalde leverancier moeten worden afgenomen.

Zoals gezegd heeft de afnameverplichting bij Heineken alleen betrekking op pilsener. Andere dranken mogen in beginsel dan ook elders worden afgenomen.

De overige brouwerijen, met een geringer marktaandeel, bedingen doorgaans wel een verplichte afname van zowel bieren als andere dranken.

Samengevat, exclusieve afnameverplichtingen in overeenkomsten zijn niet zonder meer geldig. Start u een horecaonderneming, of neemt u er één over, dan is het dus van belang op te letten of de drankenleverancier u een exclusieve verplichting tot afname oplegt en zo ja, voor welke duur en voor welke producten. Ook doet u er verstandig aan na te gaan of de huurovereenkomst bedingen bevat die u voor een periode langer dan vijf jaar binden aan een door de verhuurder aan te wijzen drankenleverancier. Tot slot is het van belang stil te staan bij de vraag wie de verhuurder van het horecapand is: een brouwerij of een derde.

Bron: www.meestermeester.nl