artikel

De wet: Valse concurrent

Horeca

Het barst in ons land van de zogenaamde ‘additionele’ horeca. Maar hoe onschuldig is dat kopje koffie bij de boekhandel? En wat kun je als horeca doen als het valse concurrentie wordt? De lijst wordt steeds langer van plekken waar horeca wordt ontplooid, maar geen horecabestemming is verleend: winkels met een koffiecorner, het museumrestaurant, de bakker die een paar tafeltjes en stoeltjes heeft of de kapper die zijn gasten een glaasje wijn aanbiedt. 

De wet: Valse concurrent
Strøm Creative Marketing, Marcel Jansen

In verschillende steden, waaronder Amsterdam, is beleid ontwikkeld ten aanzien van mengformules. Het gaat om platenzaken, bakkers, slagers, traiteurs, boekwinkels of wat voor soort winkel dan ook. De winkels wordt toegestaan een stukje van de winkel te gebruiken voor horeca. Vaak gelden voor dit soort mengformules strikte regels, zoals de maximale oppervlakte van de horeca, een verbod op het schenken van alcohol, strikte openingstijden gelijk aan de winkel en het niet mogen voeren van een terras.

Drank- en Horecawet
Mengformules vallen niet onder het regime van de Drank- en Horecawet. Dit omdat de mengformules door de gemeentelijke regelgeving niet kunnen voldoen aan de minimale oppervlakte-eis voor een horecalokaliteit van 35 vierkante meter. Daardoor komen zij eenvoudig niet in aanmerking voor een drank- en horecavergunning. Nog los van de vraag of aan de andere inrichtingseisen, voor bijvoorbeeld toiletten, mechanische ventilatie, plafondhoogte en dergelijke, wordt voldaan. Omdat dergelijke mengformules niet onder de Drank- en Horecawet en daarin opgenomen definities vallen, vallen zij logischerwijs ook niet onder de regelgeving voor paracommerciële rechtspersonen. De openingstijden van dergelijke mengformules dienen strikt overeenkomstig de openingstijden van de winkel te zijn. Het schenken van alcoholhoudende dranken is niet toegestaan.

Additionele horeca
Zolang de horeca-activiteit er is voor de eigen bezoekers, is sprake van additionele horeca.Wanneer deze horeca een zelfstandige bezoekersstroom gaat opwekken, moet ze voldoen aan dezelfde voorwaarden en bepalingen als reguliere ondernemers. Zo moet het pand waarin het horecabedrijf is gevestigd een horecabestemming hebben. Maar gemeenten lopen er niet snel voor warm om de tennisvereniging of het plaatselijke buurthuis aan te pakken. Integendeel: vaak neemt de gemeente in de eigen regelgeving wat ruimere mogelijkheden op als het gaat om schenktijden en het faciliteren van privéfeestjes. Horecaondernemers moeten zelf in actie komen tegen deze ‘knuffelhoreca’. Dat kan via het bestemmingsplan, de gemeentelijke regelgeving en de relevante vergunningen.

Bezwaar maken
Wie wil optreden tegen knuffelhoreca, moet eerst het bestemmingsplan heel goed bestuderen. Het komt zelden voor dat een van bovenstaande voorbeelden beschikt over een volwaardige horecabestemming. Dat hoeft ook niet, wanneer de horeca-activiteiten alleen toegankelijk zijn ‘in het verlengde van en ten behoeve van de culturele, maatschappelijke of dienstverlenende hoofdactiviteit.’ Is dat niet zo en is sprake van een zelfstandige bezoekersstroom, dan liggen hier kansen voor een procedure. De reguliere horeca zal moeten aantonen dat de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.
Zodra de instelling de horeca officieel wil openstellen voor derden, moet het een verzoek indienen om het bestemmingsplan te wijzigen. Een andere mogelijkheid is het aanvragen van een zogenaamde omgevingsvergunning voor planologisch afwijkend gebruik. Tegen die omgevingsvergunning kan de horeca in actie komen. Maar pas op: argumenten die ingaan op de angst voor valse concurrentie, zullen niet genoeg zijn om een procedure te winnen. Het moet eerder gaan om ruimtelijk relevante argumenten, bijvoorbeeld de uitstraling van de horeca-activiteiten, de impact op de omgeving, de invloed op het woon- en leefklimaat en de openbare orde. Overigens legt het bestemmingsplan zelf soms al beperkingen op aan de exploitatie, bijvoorbeeld door de maximale oppervlakte en de openingstijden van de additionele horeca-activiteiten in te dammen. Controleer dat.

Exploitatievergunning nodig? 
In veel gemeenten wordt gewerkt met een zogenaamde exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordering (APV). Zo’n vergunning is nodig voor de exploitatie van een horecabedrijf en zegt iets over de openingstijden, het wel of niet mogen exploiteren van een terras et cetera. De vraag is of additionele horeca ook zo’n exploitatievergunning moet hebben. Dit verschilt per gemeente en is vastgelegd in de APV. Soms kiest de burgemeester ervoor in de APV een bepaling op te nemen dat sommige vormen van horeca-exploitatie uitgezonderd kunnen worden van die verplichting. Zo’n uitzondering kan mengformules (zie kader) betreffen. Als het additionele horecabedrijf volgens de APV wel moet beschikken over een exploitatievergunning, moet de exploitatie onder andere worden getoetst aan de openbare orde en het woon- en leefklimaat. In zo’n exploitatievergunning staat vaak dat het additionele horecabedrijf geopend mag zijn van één uur voor tot één uur na de laatste culturele voorstelling.

Langer open dan horeca
Omdat culturele en maatschappelijke panden meestal niet gebonden zijn aan openingstijden, doet zich het fenomeen voor dat additionele horecabedrijven – bijvoorbeeld poppodia met nachtelijke concerten – soms langer geopend mogen zijn dan reguliere horecabedrijven. Ondernemers die bezwaar willen maken tegen deze praktijken, moeten checken of de activiteiten strijdig zijn met de afgegeven exploitatievergunning. Zo ja, dan moet de gemeente handhaven.