artikel

Burgemeesters tonen weinig tolerantie bij slecht levensgedrag

Horeca 1899

Burgemeesters leggen het begrip slecht levensgedrag steeds ruimer uit. Eén keer met drank op in het verkeer, kan een reden zijn om je vergunning af te pakken. Mogelijkheden om het oordeel aan te vechten, zijn er nauwelijks.

Burgemeesters tonen weinig tolerantie bij slecht levensgedrag

In Drank- en Horecawet (DHW) staat: de burgemeester gaat na of je als ondernemer ’niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ bent. De laatste tijd leggen burgemeesters het begrip ‘niet in enig opzicht’ steeds ruimer uit. Ze betrekken steeds meer feiten bij hun oordeel. Daarbij mag hij onbeperkt terugkijken in de tijd.

De oordeelsvorming blijft niet beperkt tot het bedrijf, ook wat je privé uitspookt, telt mee. Denk aan een boete voor wildplassen, een uit de hand gelopen echtelijke ruzie of een boze ex-werknemer die een brief schrijft aan de gemeente waarin hij je zwartmaakt.
Een kwart van de zaken van advocaat Joshua Perquin van Meester Advocaten in Amsterdam bestaat uit dit soort gevallen. Perquin: ‘Ik kom bijna nooit meer een dappere burgemeester tegen die iets door de vingers durft te zien.’
In combinatie met de steeds grotere databases van de overheid en de wet Bibob, blijkt dat zeer nadelig voor ondernemers. Door de Wet Bibob krijgt de burgemeester eerder en meer informatie over gedragingen die misschien niet helemaal koosjer zijn. De feiten die uit dat Bibob-onderzoek naar voren zijn gekomen, kan hij gebruiken om een negatief oordeel over het levensgedrag te vellen en dus geen vergunning te verstrekken. Ook al is de uitkomst van de Bibob-procedure positief.

Onschuldig

Ook een civiele procedure kan door de burgemeester aangegrepen worden om een vergunning te weigeren. Bijvoorbeeld een werknemer die een zaak aanspant over niet of te weinig uitbetaald salaris. Hetzelfde geldt voor bestuursrechtelijke overtredingen, zoals een overschrijding van de geluidsnorm, terrasstoelen die te ver uitwaaieren of een overschrijding van de sluitingstijd. Perquin: ‘Er zijn burgemeesters die zeggen: ‘Slecht ondernemerschap is slecht levensgedrag’.’

Zelfs strafrechtelijke vrijspraak is geen garantie voor een verklaring van goed levensgedrag. De afwegingen van de burgemeester mogen meer omvatten dan het eindresultaat van het strafproces. In 2008 trok een burgemeester een exploitatievergunning voor een horecabedrijf in, omdat de exploitant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van een vuurwapen in zijn zaak. Deze ondernemer was door de politierechter vrijgesproken van het hebben van een vuurwapen. Gelukkig lijkt de rechtspraak op dit punt inmiddels wat meer zuiver te zijn geworden, aan de hand van Europese rechtspraak mogen burgemeesters oordelen van strafrechters niet langer negeren.

Heilige boontjes

Waarom reageren burgemeesters zo? Perquin: ‘Een burgemeester heeft geen enkele reden om z’n nek uit te steken voor iemand. Want als het misgaat, krijgt hij de schuld.’ Hij betreurt die ontwikkeling. ‘De horeca heeft juist een hele goede functie voor mensen die een keer iets fout hebben gedaan in hun leven.’ Hij noemt de Rotterdamse projecten Heilige Boontjes en Rebelz aan de Rotte, waar mensen met een niet-vlekkeloos verleden zich uit de naad werken om via de horeca de afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen. ‘Waarom zeggen we dan juist in de horeca dat je helemaal niets fout mag hebben gedaan? Een eis die verder gaat dan die we stellen aan ambtsdragers.’
Voor ondernemers is het niet verkrijgen van een vergunning op basis van levensgedrag, slecht nieuws. Vooraf is het nauwelijks in te schatten of je voldoet aan de levensgedrag-eis. Meestal ben je al een huurverplichting aangegaan of heb je een pand gekocht. Pas later hoor je dat je geen vergunning krijgt. Van rechtszekerheid is hier nauwelijks sprake.

Perquin: ‘In de horeca is het heel gemakkelijk om een ondernemer de economische doodstraf op te leggen, van evenredig is vaak weinig sprake.’
Mogelijkheden om het negatieve oordeel van de burgemeester te weerleggen, zijn er nauwelijks. Zowel de wetgevende als de rechtsprekende macht bieden burgemeesters een grote mate van beoordelingsvrijheid bij het vaststellen van het levensgedrag van een burger. Omdat het een bewuste keuze is van de wetgever om burgemeesters deze vrijheid te geven, toetst de rechter heel terughoudend. De afgelopen 20 jaar zijn er nauwelijks uitspraken geweest die zeggen dat de burgemeester ten onrechte heeft geoordeeld dat er sprake is van slecht levensgedrag. 

Ondergrens aan zedelijkheid

De Drank- en Horecawet (DHW) stelt een ondergrens aan de zedelijkheid van een ondernemer en leidinggevenden. Ben je in de laatste 5 jaar twee keer veroordeeld, dan krijg je geen vergunning. Ben je bijvoorbeeld twee keer met drank op achter het stuur gepakt, dan is het einde oefening. Voldoe je aan dat wettelijke criterium, dan toetst de burgemeester nog een keer extra of je van goed levensgedrag bent. Een burgemeester weegt alle overtredingen en gedragingen mee in zijn oordeel.

  • Tip 1. Doe niks strafbaars. Pas vooral op met drank in het verkeer.
  • Tip 2. Zorg dat er geen wapens in de zaak liggen, dus geen luchtdrukpistool in een laatje, een busje pepperspray dat je bij het schoonmaken hebt gevonden of een keukenmes voor het grijpen onder de bar.
  • Tip 3. Vecht een veroordeling of een vaststelling van een overtreding aan. Kloppen de feiten wel, is er sprake geweest van zorgvuldig onderzoek?
  • Tip 4. Denk na over een bv in plaats van een vof of eenmanszaak. Bij inspecties zoals van de SZW krijgt de bv de boete, niet de natuurlijke persoon. Dat scheelt bij de beoordeling van jouw levensgedrag.
  • Tip 5. Kijk uit met schikken. Schikken is veelal schuld erkennen. Dat kan zich later tegen je keren.
  • Tip 6. Zorg voor een goede relatie met het gemeentehuis. Bij een negatief oordeel van de burgemeester: kijk of je met hem in gesprek kunt komen en er ruimte is voor onderhandelen. Zo niet, zoek dan deskundig advies.

Macht van de burgemeester

Van oudsher wil de overheid de negatieve gevolgen van alcoholgebruik inperken. De horecaondernemer heeft daarbij een extra verantwoordelijkheid, vindt de overheid. Sinds de Drank- en Horecawet van 1964 mag een ondernemer niet ‘in enig opzicht van slecht levensgedrag’ zijn. De beoordeling van het levensgedrag is bij de burgemeester neergelegd, omdat die zijn burgers het beste kent. De omschrijving in de DHW is om die reden bewust vaag gehouden: ‘niet in enig opzicht’.
Wettelijk gelden er geen beperkingen voor de feiten en gedragingen die een burgemeester bij de beoordeling van het levensgedrag mag betrekken. Dat betekent niet dat de burgemeester ook altijd gebruik heeft gemaakt van die ruime bevoegdheid. Pas sinds een jaar of tien is er een tendens dat burgemeesters het begrip ‘niet in enig opzicht’ steeds ruimer uitleggen. Om geen vergunning af te hoeven geven of een tent te kunnen sluiten. Het lijkt er dus op dat burgemeesters de ruime omschrijving van slecht levensgedrag misbruiken om hun straatje schoon te vegen. Letterlijk en figuurlijk.

Dit artikel is tot stand gekomen door samenwerking met Meester Advocaten.

Reageer op dit artikel